Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2501

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
14/2714 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het besluit tot intrekking van bijstand, onderscheidenlijk een AIO-aanvulling, is een voor de betrokkene belastend besluit. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn daarin niet geslaagd. De financiële situatie van appellanten vormde geen dringende reden om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2714 WWB, 14/2715 WWB

Datum uitspraak: 21 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

17 april 2014, 13/7297, 14/1037 en 14/1340 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te Arnhem

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015. Voor appellanten is verschenen mr. Arabaci. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen vanaf respectievelijk 1 januari 2004 en 1 april 2005 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Met ingang van

1 oktober 2009 ontvingen appellanten van de Svb een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) als bedoeld in artikel 47a van de Wet werk en bijstand (WWB). Vanaf 1 januari 2004 tot 1 oktober 2009 ontvingen appellanten aanvullende bijstand op grond van de WWB van het college van burgemeester en wethouders van Arnhem.

1.2.

In het kader van een steekproefcontrole hebben twee toezichthouders, werkzaam bij de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Svb, op 6 september 2012 een huisbezoek gebracht aan de woning van appellanten. In verband met een onderzoek naar de leefsituatie van appellanten hebben de toezichthouders tijdens het huisbezoek een “Checklist” ingevuld. Omdat appellanten, desgevraagd, hadden meegedeeld dat appellante mede-eigenaar was van een woning in Turkije, hebben zij daarnaast een “Checklist AIO” ingevuld. Vervolgens heeft de Svb in Turkije onderzoek laten verrichten naar de eigendomssituatie ten aanzien van de woning op het door appellanten tijdens het huisbezoek genoemde adres. Hangende het onderzoek heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellanten met ingang van 15 oktober 2012 stopgezet.

1.3.

Op 29 januari 2013 heeft een buitendienstmedewerker in een Rapportage vermogensonderzoek Turkije aan de Svb gerapporteerd dat bij de afdeling onroerende zaakbelasting van de gemeente [naam gemeente] een appartement op naam van appellanten staat geregistreerd. Voorts staat nog een ander appartement op naam van appellante geregistreerd. De gegevens van het adres dat appellanten tijdens het huisbezoek hadden genoemd, kwam daar echter niet mee overeen. Voor dat adres werd ook geen belastingaangifte aangetroffen. Uit een buurtonderzoek bleek dat het appartement waarvan appellanten samen eigenaar waren, werd verhuurd. De waarde van de appartementen werd getaxeerd op totaal € 48.000,-.

1.4.

Bij afzonderlijke besluiten van 17 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

17 oktober 2013 (bestreden besluit 1), heeft de Svb de bijstand, onderscheidenlijk de

AIO-aanvulling, met ingang van 1 januari 2004, respectievelijk 1 oktober 2009, ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2004 tot 15 oktober 2012 ten onrechte betaalde bijstand en AIO-aanvulling tot een bedrag van in totaal € 41.250,34 van appellanten teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten op en na 1 januari 2004 beschikten over vermogen in het buitenland waarvan de waarde hoger is dan de voor hen geldende vermogensgrens.

1.5.

Bij besluit van 11 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 februari 2014 (bestreden besluit 2), heeft de Svb bepaald dat het op grond van de besluiten van 17 mei 2013 teruggevorderde bedrag in maandelijkse termijnen van € 50,- wordt ingehouden op het AOW-pensioen van appellanten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten stellen zich op het standpunt dat zij op of na 1 januari 2004 geen vermogen in het buitenland hebben gehad. Voorts hebben zij aangevoerd dat de terugvordering in strijd is met de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid. Ten slotte hebben zij aangevoerd dat hun financiële situatie de Svb aanleiding had moeten geven om van teugvordering af te zien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Svb heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 januari 2004 tot en met 17 mei 2013.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand, onderscheidenlijk een AIO-aanvulling, is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op dit bestuursorgaan rust.

4.3.

Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd, is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn daarin niet geslaagd.

4.4.

Ter ondersteuning van hun stelling dat er vóór 1 januari 2004 twee woningen zijn verkocht en dat zij geen bezittingen meer hebben in het buitenland, hebben appellanten twee eigendomsaktes (‘tapu senedi’s’) van 19 september 2001 en 30 oktober 2003 overgelegd, alsmede twee verklaringen van 30 september 2013 en 10 januari 2014, afkomstig van het kadaster in de gemeente [naam gemeente] . Daargelaten of de tapu senedi van 30 oktober 2003 betrekking heeft op het op naam van appellante geregistreerde appartement, ziet de

tapu senedi die appellanten hebben overgelegd met betrekking tot het op hun beider naam geregistreerde appartement op hun verwerving van dat appartement, en niet op de vervreemding daarvan. Dat zij dit appartement vóór 1 januari 2004 hebben verkocht, hebben zij met deze tapu senedi niet aannemelijk gemaakt. Dat geldt ook voor de verklaring die zij hebben overgelegd van een medewerker van het kadaster van 30 september 2013, inhoudende dat er geen registratie op naam van appellant in het digitale systeem is aangetroffen. Deze verklaring geeft immers geen uitsluitsel over registraties op naam van appellant in de te beoordelen periode.

4.5.

In de financiële situatie van appellanten hoefde de Svb, anders dan appellanten hebben gesteld, geen dringende reden te zien om van terugvordering af te zien. Dat de uitgaven van appellanten hun inkomsten overstijgen is onvoldoende om aan te nemen dat de terugvordering op zichzelf leidt tot onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor appellanten. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat appellanten beschikten over vermogen in de vorm van onroerend goed.

4.6.

Ter zitting hebben appellanten de grond dat de terugvordering in strijd is met de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid, laten vallen, zodat deze beroepsgrond geen bespreking behoeft.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

HD