Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2500

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
14/3862 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Bezwaar is door appellant ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. 2) De rechtbank had zich met betrekking tot het beroep ingesteld tegen het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuwe besluit niet bevoegd dienen te verklaren. 3) Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Op geld waardeerbare werkzaamheden als marktkoopman. Geen deugdelijke administratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/279

Uitspraak

14/3862 WWB, 14/3863 WWB, 15/3666 WWB

Datum uitspraak: 28 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 3 juni 2014, 14/1603 en 14/1866 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (appellant)

[Betrokkene 1] (betrokkene 1) en wijlen [betrokkene 2] (betrokkene 2) te [woonplaats]

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen heeft mr. R.P. Kuijper, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2015. Namens appellant zijn verschenen C.E. van der Tuuk en M.I. Neels. Betrokkene 1 is verschenen, bijgestaan door

mr. Kuijper.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkenen hebben sinds 10 december 2009 bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij brief van 21 september 2013 heeft de Dienst Belastingen van de gemeente Amsterdam appellant verzocht de bijstand van betrokkene 2 met inachtneming van de beslagvrije voet aan hen over te maken. De reden hiervoor was dat betrokkene 2 niet aan haar betalingsverplichtingen had voldaan met betrekking tot de kosten van een standplaats op de [naam markt] in het tweede kwartaal van 2013. Naar aanleiding hiervan is bij appellant het vermoeden ontstaan dat betrokkenen verzwegen inkomsten hebben uit arbeid op de [naam markt] en/of arbeid verrichten. Appellant heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkenen verleende bijstand. Sociaal rechercheurs van de afdeling Werk en Welzijn van de gemeente Purmerend hebben in dit kader onder andere dossieronderzoek gedaan, de marktmeesters en de marktbeheerder van de [naam markt] als getuigen gehoord, waarnemingen verricht en betrokkenen verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 5 december 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van

3 januari 2014 de bijstand van betrokkenen met ingang van 10 december 2009 in te trekken, de bijstand per 7 januari 2014 te beëindigen en de over de periode van 10 december 2009 tot en met 30 september 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 72.143,89 van betrokkenen terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkenen met ingang van 10 december 2009 werkzaamheden hebben verricht als verkoper op de [naam markt] te [plaatsnaam] en dat zij deze werkzaamheden niet hebben gemeld, zodat betrokkenen niet de inlichtingen hebben verstrekt die van belang zijn voor het vaststellen van het recht op uitkering.

1.4.

Bij besluit van 25 maart 2014 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar van

3 februari 2014 tegen het besluit van 3 januari 2014 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat betrokkenen uitsluitend pro forma bezwaar hebben gemaakt en dat zij geen gebruik hebben gemaakt van de bij brief van 13 februari 2014 geboden mogelijkheid om binnen de daarvoor gestelde termijn de gronden van bezwaar in te dienen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De voorzieningenrechter heeft hiertoe, samengevat, het volgende overwogen. Betrokkenen hebben de ontvangst van de brief van 13 februari 2014 ontkend. Appellant heeft die brief niet aangetekend verzonden. Het is in die situatie aan appellant om de verzending van die brief aannemelijk te maken. Appellant heeft desgevraagd verklaard niet te beschikken over een verzendadministratie, zodat volgens de voorzieningenrechter van de rechtbank de verzending van de brief van 13 februari 2014 niet aannemelijk is geworden.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 8 september 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Daarbij heeft appellant de intrekking van de bijstand met ingang van 10 december 2009 en de beëindiging per 7 januari 2014 gehandhaafd en vermeld dat het bedrag dat aan teveel verstrekte bijstand via de regels van de WWB wordt teruggevorderd € 67.486,43 bedraagt.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Allereerst overweegt de Raad ambtshalve dat de rechtbank Noord-Holland bij uitspraak van 19 februari 2015 met registratienummer 14/4364 het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het griffierecht niet op tijd is betaald. In een situatie als de onderhavige, waarin appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit 1 is vernietigd met de opdracht een nieuw besluit te nemen, een nieuw besluit neemt waarbij niet (geheel) aan de bezwaren van de betrokkenen is tegemoetgekomen, moet het hoger beroep met analoge toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden geacht mede te omvatten het beroep tegen het bestreden besluit 2. Dit betekent dat de rechtbank niet bevoegd was om het beroep tegen het bestreden besluit 2 in behandeling te nemen en dat zij zich daarom onbevoegd had moeten verklaren. Om die reden dient de uitspraak van 19 februari 2015 te worden vernietigd. Met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb zal de Raad het bestreden besluit 2 in zijn oordeel betrekken.

De aangevallen uitspraak

5.2.

Appellant heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de voorwaarde dat de ontvangst van het betreffende stuk op geloofwaardige wijze moet zijn ontkend. Daarvan is volgens appellant in dit geval geen sprake, omdat betrokkenen alle overige - op gelijke wijze verzonden - post wel hebben ontvangen. Bovendien moet uit de handelingen van betrokkenen worden afgeleid dat de aanbieding van het betreffende stuk heeft plaatsgevonden. Hierbij heeft appellant erop gewezen dat de gemachtigde van betrokkenen de uitnodiging voor de hoorzitting van

10 februari 2014 wel heeft ontvangen, aangezien hij op die dag onderweg was naar die hoorzitting. Daarvoor had hij de gronden van bezwaar paraat moeten hebben, anders kon de hoorzitting niet zinvol zijn geweest. De hoorzitting is vervolgens niet doorgegaan omdat de gemachtigde in de verkeerde trein zou zijn gestapt. Daarna heeft de gemachtigde niets meer van zich laten horen.

5.3.1.

Artikel 6:5, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen.

5.3.2.

Het faxbericht van 3 februari 2014, waarin is vermeld dat het gaat om een voorlopig bezwaarschrift op nader aan te voeren gronden, bevat in strijd met het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, van de Awb geen gronden. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of betrokkenen de gelegenheid hebben gehad het verzuim te herstellen.

5.3.3.

In het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens relevant document, geldt als uitgangspunt dat het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of een ander rechtens relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

5.3.4.

Vast staat dat appellant de brief van 13 februari 2014 niet aangetekend heeft verzonden en dat appellant niet beschikt over een verzendadministratie, zodat appellant de verzending van de brief van 13 februari 2014 niet aannemelijk heeft gemaakt. Anders dan appellant stelt, zijn er geen omstandigheden waaruit moet worden afgeleid dat de brief wel is verzonden en waarmee de verzending alsnog aannemelijk is. Uit de omstandigheid dat de gemachtigde van betrokkenen de uitnodiging voor de hoorzitting van 10 februari 2014 alsmede andere poststukken wel heeft ontvangen, volgt niet dat de brief van 13 februari 2014 ook moet zijn ontvangen. De omstandigheid dat de gemachtigde van betrokkenen onderweg was naar de hoorzitting van 10 februari 2014 en daarom al de gronden van bezwaar paraat had, is evenmin een handeling waaruit blijkt dat de brief van 13 februari 2014 moet zijn ontvangen, reeds omdat die brief dateert van na de hoorzitting.

5.3.5.

Uit 5.3.4 volgt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat betrokkenen niet in de gelegenheid zijn gesteld het aan het bezwaarschrift klevende gebrek te herstellen. Appellant was dan ook niet bevoegd het bezwaar met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren.

5.4.

Uit 5.3.1 tot en met 5.3.5 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop behoeft het verweer van betrokkenen dat sprake is van rechtsverwerking in die zin dat de ontvankelijkheid van het bezwaar niet meer aan de orde kan worden gesteld, wat daar verder ook van zij, geen bespreking.

Het bestreden besluit 2

6. Aan het bestreden besluit 2 heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkenen niet uit eigen beweging hebben gemeld dat betrokkene 2 over een niet-overdraagbare standplaatsvergunning in [plaatsnaam] beschikt, dat betrokkene 1 regelmatig op de [naam markt] in [plaatsnaam] aanwezig is en daar werkzaamheden verricht en dat de vergunning actief is en gebruikt wordt. Voor de stelling dat de vergunning niet wordt gebruikt door betrokkenen zelf, maar dat deze is ingebracht in de commanditaire vennootschappen van hun zoon, is geen enkel bewijs overgelegd, zodat dit niet aannemelijk is. Het gebruik van de vergunning en de aanwezigheid van betrokkene 1 op de [naam markt] zijn aan te merken als op geld waardeerbare activiteiten. Door dit niet te melden is niet duidelijk over welke middelen betrokkenen de beschikking hebben gehad, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Betrokkenen hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij, indien zij de inlichtingenverplichting wel zouden zijn nagekomen, over de in geding zijnde periode recht zouden hebben op (aanvullende) bijstand.

7. De door betrokkenen hiertegen aangevoerde gronden worden hierna besproken.

8. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

8.1.

De te beoordelen periode loopt van 10 december 2009 tot en met 7 januari 2014.

8.2.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

8.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1890) rechtvaardigt de omstandigheid dat een betrokkene gedurende een zekere periode op een markt of daarmee vergelijkbare plaats een kraam of standplaats huurt, terwijl vanuit die kraam of standplaats handelsactiviteiten worden uitgeoefend, de vooronderstelling dat de huurder die handelsactiviteiten voor eigen rekening en risico verricht of laat verrichten. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Betrokkenen zijn daarin niet geslaagd. Uit het onderzoek van de sociaal rechercheurs van de afdeling Werk en Welzijn van de gemeente Purmerend is gebleken dat betrokkene 2 in ieder geval sinds 10 december 2009 heeft beschikt over een niet-overdraagbare standplaatsvergunning voor de [naam markt] , dat deze vergunning in ieder geval vanaf 10 december 2009 wordt gebruikt en dat

betrokkene 1 in de in geding zijnde periode veelvuldig op de [naam markt] is gezien. De marktmeesters van de [naam markt] hebben consistent verklaard dat zowel betrokkene 1 als zijn zoon gebruik maken van de vergunning en dat betrokkene 1 in ieder geval ook als de koopman wordt beschouwd. Voorts heeft de marktkraamverhuurder verklaard dat

betrokkene 1 altijd voor de kraam betaalt.

8.4.

Voorts is vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) dat het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid is die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de WWB, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Nu het betrokkenen redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat de activiteiten van betrokkene 2 voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, hebben zij de inlichtingenverplichting geschonden door daarvan geen melding te doen aan appellant. De stelling van betrokkenen dat met de activiteiten op de [naam markt] een zeer beperkt inkomen is verdiend waarmee de vermogensvrijstelling niet wordt overschreden, is voor de vraag of de inlichtingenverplichting is geschonden niet van belang, nog daargelaten dat het hier inkomen betreft en niet vermogen.

8.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.

8.6.

Anders dan betrokkenen stellen, heeft appellant de intrekking van de bijstand niet uitsluitend gebaseerd op de vaststelling dat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB niet of niet voldoende zijn nagekomen. Zoals hiervoor onder 6 is weergegeven, heeft appellant aan het bestreden besluit 2 mede ten grondslag gelegd dat door het niet melden van de activiteiten op de [naam markt] , die als op geld waardeerbare activiteiten zijn aan te merken, geen duidelijkheid bestaat over de middelen waarover betrokkenen konden beschikken, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

8.7.

Het was vervolgens aan betrokkenen om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat, als zij de inlichtingenverplichting destijds wel naar behoren waren nagekomen, aan hen (aanvullende) bijstand was verleend. De stelling van betrokkenen dat door het achterwege laten van een nader onderzoek bij betrokkenen of derden en overheidsinstanties, appellant verzuimd heeft na te gaan of het recht op bijstand alsnog kon worden vastgesteld, slaagt derhalve niet.

8.8.

Betrokkenen zijn hierin niet geslaagd. Zij hebben geen administratie of boekhouding met betrekking tot de marktactiviteiten in de in geding zijnde periode overgelegd en ook geen andere objectieve en verifieerbare gegevens in het geding gebracht op basis waarvan, eventueel schattenderwijs, zou kunnen worden vastgesteld hoeveel inkomsten met de activiteiten op de [naam markt] zijn verworven. Onder deze omstandigheden is niet vast te stellen of, en zo ja in hoeverre, betrokkenen in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.

8.9.

Uit 8.1 tot en met 8.8 volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 februari 2015, nr. 14/4364;

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 september 2014 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD