Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2497

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
14/6903 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9479, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 17
Participatiewet 31
Participatiewet 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/288

Uitspraak

14/6903 WWB

Datum uitspraak: 28 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

21 november 2014, 14/2129 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.F.A. Notenboom, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C.C.J.L. Huurman, kantoorgenoot van mr. Notenboom. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Dinç.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen in de periode van 28 mei 1997 tot 20 februari 2013 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Het college heeft appellanten in verband met een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan hen verleende bijstand bij brief van 13 februari 2013 uitgenodigd voor een gesprek op 20 februari 2013 bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam. In het verslag van het gesprek met appellant dat door een sociaal rechercheur is opgemaakt staat onder andere het volgende:

"Ik heb op het platteland in Marokko een huis, dat heb ik geërfd van mijn vader. (…) Mijn vader leeft nog. Mijn vader heeft het zo geregeld dat hij de woning heeft verdeeld onder mij en mijn twee broers en zus. Ieder van de kinderen heeft een vertrek gekregen, een soort van studio met eigen keuken en wc. (…) Dat is denk ik in 2005 of 2006 gebeurd. (…) Het complex staat op meerdere namen geregistreerd. Op mijn naam en van mijn broers en zus."

1.3.

Op 5 april 2013 heeft de sociaal rechercheur het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) gevraagd in Marokko onderzoek te doen naar onroerend goed van appellant. Bij brief van 20 september 2013 heeft het IBF het college medegedeeld dat uit onderzoek van het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade te Rabat blijkt dat appellant sinds ongeveer tien jaar een huis bezit in Marokko dat niet staat ingeschreven in het kadaster. Dit blijkt uit een brief van de attaché voor Sociale Zaken te Rabat (attaché) van 7 augustus 2013. Daarin schrijft de attaché dat twee van zijn medewerkers op 5 juni 2013 hebben gesproken met de mokkadem van [plaatsnaam] . Deze heeft verklaard dat appellant bekend is in [plaatsnaam] , waar hij sinds ongeveer tien jaar een huis bezit en dat er ongeveer één jaar geleden een woning aan het oorspronkelijke huis is gebouwd. De mokkadem was daarvan op de hoogte omdat de bouwvergunning is afgegeven voor het district waar hij werkt en omdat hij aan appellant de woonverklaring heeft afgegeven die hij nodig had voor het aanvragen van een identiteitskaart. Uit een door [naam X] ( [naam X] ), beëdigd taxateur, op 9 juli 2013 opgesteld taxatierapport blijkt dat hij de actuele waarde schat op 550.000 dirham (volgens de attaché ongeveer € 49.500,-).

1.4.

De in 1.2 en 1.3 genoemde bevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 2 oktober 2013 de bijstand van appellanten over de periode van 9 juli 2012 tot en met 19 februari 2013 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 11.175,73 van appellanten terug te vorderen.

1.5.

Het college heeft het tegen het besluit van 2 oktober 2013 gerichte bezwaar bij besluit van 5 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten over vermogen beschikten boven het voor hen geldende vrij te laten vermogen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - verkort weergegeven - overwogen dat de onderzoeksbevindingen een voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode in ieder geval mede-eigenaar was van een woning in Marokko. Appellanten hebben hun inlichtingenverplichting geschonden door dat niet bij het college te melden. Omdat onduidelijk is gebleven welk deel van de waarde van de woning aan appellanten kan worden toegerekend, kan naar het oordeel van de rechtbank het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het bestreden besluit berust in zoverre op een onjuiste grondslag, nu het college heeft besloten dat appellanten geen recht op bijstand hebben. De rechtbank heeft daarom het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft echter tevens aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de beantwoording van de vraag of appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden, komt zwaarwegende betekenis toe aan de door appellant op 20 februari 2013 afgelegde verklaring.

4.2.

Appellanten betwisten dat de verklaring van appellant juist is weergegeven. Appellant heeft - zo begrijpt de Raad - tijdens het gesprek proberen uit te leggen dat in 2005/2006 slechts is afgesproken hoe de woning in [plaatsnaam] , bij overlijden van de vader van appellant, onder zijn kinderen zou moeten worden verdeeld. Deze verklaring kan volgens appellanten niet aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd. Appellant heeft de verklaring weliswaar ondertekend, maar de tolk heeft appellant medegedeeld dat te doen. De verklaring is niet voorgelezen en appellant, die analfabeet is, heeft niet kunnen beoordelen wat hij ondertekende.

4.3.

Deze grond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene in het algemeen aan de tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Hij heeft ten overstaan van een sociaal rechercheur een uitvoerige en gedetailleerde verklaring afgelegd. De Raad ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze verklaring verkeerd op papier is gekomen. Verder zijn in de tekst van de verklaring geen aanknopingspunten gelegen die ruimte bieden voor een uitleg dat appellant bedoeld heeft te verklaren dat in 2005/2006 slechts is afgesproken hoe de woning bij overlijden van zijn vader verdeeld zou worden. Hierbij is van belang dat onderaan de verklaring van appellant staat dat hij na voorlezing en vertaling heeft verklaard in zijn verklaring te volharden, waarna hij deze voor juiste weergave ondertekende. Appellant heeft bovendien op iedere bladzijde van zijn verklaring een paraaf gezet. De verklaring is, behalve door appellant, ondertekend door de tolk en ook de sociaal rechercheur heeft getekend voor de juiste weergave van het gesprek.

4.4.

De verklaring van appellant vindt steun in de verklaring van de mokkadem. Deze heeft verklaard dat appellant sinds ongeveer tien jaar eigenaar is van de woning in [plaatsnaam] . De Raad heeft - anders dan appellanten - geen reden om te twijfelen of de twee medewerkers van de attaché daadwerkelijk met de mokkadem hebben gesproken. Het verzoek aan het IBF was zeer algemeen geformuleerd en gericht op onderzoek naar onroerend goed van appellant in Marokko. De verklaring die de mokkadem van [plaatsnaam] heeft gegeven bevat details die niet blijken uit de aan het IBF gestelde onderzoeksvraag. Zo heeft de mokkadem verklaard dat een jaar geleden een tweede woning is aangebouwd aan de bestaande woning en dat hij appellant heeft geholpen met het afgeven van een woonverklaring in verband met een identiteitsbewijs. Ter zitting heeft appellant bevestigd dat deze feiten kloppen. Gelet op het feit dat de mokkadem verklaart over de hulp die hij appellant heeft geboden met het afgeven van een woonverklaring en gelet op het feit dat hij verklaart over [naam] , is bovendien duidelijk dat de mokkadem het had over appellant en niet over zijn vader, wiens voornaam ook met de letter ' [letter] ' begint. Gelet op wat hiervoor is overwogen, slagen de op de verklaring van de mokkadem betrekking hebbende gronden niet.

4.5.

Gelet op de verklaringen van appellant en de mokkadem, komt aan de verklaring van appellante en aan de achteraf opgestelde verklaring van de vader van appellant, die niet met concrete en verifieerbare gegevens is onderbouwd, niet de betekenis toe die appellanten daaraan toekennen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode in ieder geval mede-eigenaar was van een woning in Marokko. Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden door dat niet te melden bij het college. De vraag is vervolgens of, zoals appellanten ter zitting hebben aangevoerd, het recht op bijstand kan worden vastgesteld.

4.7.

De Raad stelt hierbij voorop dat, anders dan appellanten betogen, voor de waarde van de woning in de te beoordelen periode, aansluiting kan worden gezocht bij de taxatie van [naam X] . Appellanten wijzen er terecht op dat deze taxatie ziet op de oorspronkelijke woning met de aangebouwde woning en niet op de oorspronkelijke woning zonder aanbouw. De mokkadem van [plaatsnaam] heeft echter verklaard dat ongeveer een jaar geleden, dat wil zeggen ongeveer in juni 2012, een woning aan het oorspronkelijke huis is gebouwd. Omdat het college de bijstand met ingang van 20 februari 2013 heeft ingetrokken, was de aanbouw op dat moment al gerealiseerd. Het college mocht er dan ook vanuit gaan dat de woning in Marokko in de te beoordelen periode een waarde van € 49.500,- vertegenwoordigde.

4.8.

Omdat uit de verklaring van appellant volgt dat de woning is verdeeld onder zijn twee broers en zus, maar niet duidelijk is geworden wat in dat geval het aandeel van appellant in de woning is, heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Gelet op de schending van de inlichtingenverplichting lag het op de weg van appellanten om aannemelijk te maken wat het aandeel van appellant in de woning is en lag het niet, zoals appellanten betogen, - op de weg van het college om hiernaar nader onderzoek te doen.

4.9.

Omdat niet duidelijk is wat het aandeel van appellant in de woning is, slaagt tot slot ook niet het betoog van appellanten dat de besluitvorming in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel in verband met de geringe vermogensoverschrijding. Niet duidelijk is immers wat de waarde is die het eventuele aandeel van appellant in de woning vertegenwoordigt.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.H. Bel en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C. Moustaïne

HD