Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2493

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
14/3332 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand op de grond dat appellant niet heeft aangetoond dat zich een voor de bijstand relevante wijziging in zijn omstandigheden heeft voorgedaan sinds de intrekking van de bijstand bij besluit van 30 juli 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3332 WWB

Datum uitspraak: 28 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

25 april 2014, 13/2645 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 juni 2015. Namens appellant is verschenen mr. Lina. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.W.H. Hulsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 14 april 1998 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van bij de belastingdienst en de politie ontvangen signalen dat sprake zou zijn van frauduleus handelen, is in december 2010 een strafrechtelijk onderzoek gestart. Hieruit is onder meer gebleken dat appellant samen met zijn vader en broer in 2001 de [naam stichting] heeft opgericht en dat appellant bestuurslid is van deze stichting. Bij besluit van 30 juli 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2012 ingetrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van

9 januari 2013 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft onvoldoende inzicht verschaft in zijn inkomens- en vermogenssituatie doordat hij geen helderheid heeft gegeven over een aantal transacties en geldstromen van grote omvang, waarbij hij al dan niet als bestuurslid van de [naam stichting] betrokken was. Tegen het besluit van 9 januari 2013 heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.3.

Appellant heeft zich op 1 oktober 2012 bij het college gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Tijdens een met appellant op 17 oktober 2012 gevoerd intakegesprek heeft hij verklaard dat hij sinds de intrekking van de bijstand geen geld heeft en dat zijn omstandigheden sinds de intrekking niet zijn gewijzigd.

1.4.

Bij besluit van 16 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 februari 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet heeft aangetoond dat zich een voor de bijstand relevante wijziging in zijn omstandigheden heeft voorgedaan sinds de intrekking van de bijstand bij besluit van 30 juli 2012.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 oktober 2012 tot en met 16 november 2012.

4.2.

Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij niet over inkomen of vermogen beschikt. Het college heeft ten onrechte geen volledige toets toegepast. Voorts heeft appellant gesteld dat de in 4.2 weergegeven bewijsregel niet van toepassing is omdat in het onderhavige geval nog geen onherroepelijke beëindiging van de bijstand heeft plaatsgevonden.

4.4.

Uit 1.2 en uit de gedingstukken volgt dat sprake is van een onherroepelijke intrekking van de bijstand met ingang van 1 april 2012 die doorloopt tot na het besluit van 30 juli 2012. Hiermee is gegeven dat de bijstand ook voor de periode na dat besluit is beëindigd. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet, nog daargelaten dat de in 4.2 vermelde bewijsregel ook geldt indien het intrekkingsbesluit nog niet onherroepelijk is. Wat appellant verder heeft aangevoerd, is onvoldoende om aan te tonen dat de omstandigheden zijn gewijzigd, in die zin dat appellant, anders dan voorheen, in de te beoordelen periode helderheid heeft verschaft over zijn inkomens-en vermogenspositie. Het had op de weg van appellant gelegen zijn stelling dat hij niet over inkomen en vermogen beschikte, met concrete en verifieerbare gegevens te onderbouwen. De enkele stelling weergegeven in 4.3 is in dit verband onvoldoende. Het college was dan ook niet gehouden zelf een onderzoek in te stellen om helderheid te krijgen over de transacties en geldstromen van de [naam stichting] .

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD