Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2490

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
14/198 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/287
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/198 WWB

Datum uitspraak: 28 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

26 november 2013, 13/715 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Veendam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.P. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 24 februari 2012 heeft appellant zich met zijn echtgenote gemeld voor een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 11 april 2012 heeft het college deze aanvraag buiten behandeling gesteld.

1.3.

Bij besluit van 21 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 april 2012 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant en zijn echtgenote in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen melding hebben gemaakt van het feit dat appellant advertenties op marktplaats.nl (advertenties) had geplaatst waaruit blijkt dat hij zich onder meer bezig houdt met handel in oud ijzer. Aangezien appellant en zijn echtgenote niet alle noodzakelijke gegevens hebben ingeleverd, kan als gevolg hiervan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft daartoe onder verwijzing naar de gronden in bezwaar en beroep aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Appellant heeft niet meer en minder gedaan dan het plaatsen en weer weghalen van advertenties. Op die advertenties zijn geen reacties gekomen en deze hebben dus niet geleid tot enige opbrengst.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 24 februari 2012 tot en met 11 april 2012.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Vaststaat dat appellant in de te beoordelen periode advertenties heeft geplaatst waarin hij aanbiedt gratis ijzer, metalen, wit- en bruingoed, sloopauto’s en caravans op te halen. Hiervan heeft hij geen melding gemaakt bij het college. Appellant heeft hierdoor, anders dan hij zelf betoogt, de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, aangezien het gaat om relevante informatie die van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Aangenomen mag worden dat appellant de bedoeling heeft gehad geld te verdienen met de handel in de hiervoor genoemde goederen. Appellant heeft voorts niet inzichtelijk gemaakt - bij gebreke van enige administratie - of en, zo ja, hoeveel hij met die handel heeft verdiend. Appellant heeft niet onderbouwd dat de advertenties niets hebben opgeleverd. Dat dit moeilijk is te onderbouwen heeft appellant over zichzelf afgeroepen. Het vertrekpunt in deze zaak is immers dat appellant, in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting, heeft nagelaten het college tijdig en volledig in te lichten over de advertenties. Daarmee is aan het college de mogelijkheid onthouden om zich een actueel beeld te vormen van de feiten en omstandigheden die voor de bijstandsverlening van belang zijn en om, waar nodig, meteen controlerend en bijsturend op te treden.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2015.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD