Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2464

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
14-1661 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht ontstaan op een WIA-uitkering omdat geen sprake is van toename van de beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen ten aanzien van de belastbaarheid van de handen en polsen. Appellant heeft, ook in hoger beroep, geen medische informatie ingediend waaruit blijkt dat zijn beperkingen aan de handen en polsen wel degelijk zijn toegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1661 WIA

Datum uitspraak: 24 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 februari 2014, 13/7583 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.J. Ladrak, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2015. Appellant is, na berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W. de Rooij-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft gewerkt als schoonmaker. Hij is op 27 februari 2008 uitgevallen voor zijn werk wegens klachten aan zijn handen en polsen tegen gevolge van M. Quervain. Bij besluit van 21 januari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 24 februari 2010 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen ingesteld, waardoor het besluit in rechte is komen vast te staan.

1.2.

Appellant heeft bij het Uwv gemeld dat zijn gezondheidssituatie sinds 17 december 2012 is verslechterd. Bij besluit van 27 maart 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 17 december 2012 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering omdat geen sprake is van toename van de beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Bij beslissing op bezwaar van 7 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

1.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat het medische onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig en volledig is geweest. Zij heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd in zijn opvatting dat de klachten van de schouders en ellebogen niet terug te voeren zijn op de hand/polsproblematiek waarmee appellant bekend was ten tijde van de vorige

WIA-beoordeling en dat daarom geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak, als bedoeld in artikel 55, eerste lid onder b, van de Wet WIA.

2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsartsen ten onrechte hebben vastgesteld dat de beperkingen aan de handen en polsen niet zijn toegenomen. Verder heeft hij aangevoerd dat uit de in bezwaar ingediende informatie van de behandelend anesthesioloog

R.L. van Leersum blijkt dat bij appellant sprake is van een geprikkelde/beschadigde intervertebrale discus C6/C7 die de klachten aan zowel de handen en polsen als aan de elleboog en schouder kan verklaren. Ten tijde van de voorgaande WIA-beoordeling per einde wachttijd van 24 februari 2010 is dan ook ten onrechte uitgegaan van diagnose van de lokale peesaandoening M. Quervain. Destijds speelde ook al de door Van Leersum vastgestelde cervicale aandoening, die ook de nu ontstane klachten aan elleboog en schouder verklaart, waarmee wel degelijk sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief van de Soedanese orthopeed A. Elarabi, gedateerd 18 februari 2014 ingediend.

3.1.

De Raad overweegt als volgt.

3.2.

Door appellant is een toename van zijn medische beperkingen geclaimd. Op grond van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA, ontstaat alsnog recht op een uitkering met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Zoals eerder door de Raad overwogen (onder andere uitspraak van 28 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM2700) sluit de Raad voor de uitleg van het begrip dezelfde oorzaak aan bij zijn vaste rechtspraak over de artikelen 39a en 43a van de WAO. Op grond van deze vaste rechtspraak (onder andere uitspraak van 20 april 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP0012) dient het Uwv te onderbouwen dat buiten twijfel staat dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing zijn. Dat geldt evenzeer voor de toepassing van de artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.

3.3.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de medische onderzoeken door de verzekeringsartsen zorgvuldig zijn geweest. De verzekeringsarts heeft lichamelijk onderzoek verricht tijdens het spreekuur en de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vervolgens nader in gegaan op de in bezwaar aangevoerde argumenten en ingediende informatie van Van Leersum. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen ten aanzien van de belastbaarheid van de handen en polsen. Appellant heeft, ook in hoger beroep, geen medische informatie ingediend waaruit blijkt dat zijn beperkingen aan de handen en polsen wel degelijk zijn toegenomen ten opzichte van de situatie op 24 februari 2010.

3.4.

Over de klachten aan de linkerelleboog en rechterschouder heeft de rechtbank vervolgens terecht overwogen dat bij een WIA-beoordeling enkel de klachten van een betrokkene in aanmerking worden genomen voorzover deze voortvloeien uit een objectiveerbare ziekte of gebrek. De verzekeringsarts heeft appellant lichamelijk onderzocht en heeft beperkingen vastgesteld voor de rechterschouder en linkerelleboog. Aangezien bij de eerdere WIA-beoordeling enkel beperkingen zijn aangenomen wegens de peesaandoening aan de duimen, heeft de verzekeringsarts de beperkingen aan de schouder en elleboog aangemerkt als voortvloeiend uit een andere ziekteoorzaak. Uit de informatie van Van Leersum valt op te maken dat Van Leersum van mening is dat peesbeklemming in de handen, die is gediagnosticeerd als M. Quervain, samenhangt en/of voortkomt uit een geprikkelde/beschadigde intervertrebrale discus C6/7, welk letsel echter niet zichtbaar is op de MRI, enkel onder de microscoop, en daarom niet kan worden geobjectiveerd. Appellant heeft echter de door Van Leersum aangeboden therapie geweigerd, omdat hij van mening is dat er alleen een probleem van zijn handen en polsen is. Hiermee heeft appellant de mogelijkheid om de door Van Leersum gestelde diagnose te objectiveren, laten lopen. Op basis van de beschikbare gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd dat de bij appellant omstreeks 17 december 2012 ontstane beperkingen aan elleboog en schouder voorvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan de aan de hand- en polsbeperkingen ten grondslag liggende duimpeesaandoening ten tijde van de eerdere

WIA-beoordeling per einde wachttijd van 24 februari 2010. De in hoger beroep ingezonden informatie van orthopeed Elarabi doet aan het voorgaande niet af. De informatie ziet niet op de datum in geding en de huisarts van appellant neemt de door Elarabi gestelde diagnose kennelijk niet serieus, gelet op het schrijven van appellant van 27 mei 2015.

3.4.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat terecht geen arbeidskundige beoordeling heeft plaatsgevonden aangezien geen toename van de medische beperkingen, voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak, kon worden vastgesteld.

3.5.

Het hoger beroep slaagt dan ook niet.

3.6.

Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2015.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) M. Crum

RB