Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2463

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
14-3611 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WGA-loongerelateerde uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Beperkingen niet onderschat. Appellante moet in staat worden geacht de geselecteerde functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3611 WIA

Datum uitspraak: 24 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2014, 14/907 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van den Os hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2015. Appellante noch haar gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft laatstelijk gewerkt als klantenadviseur bij een bank voor 36 uur per

week. Op 19 januari 2010 is zij uitgevallen met zwangerschapsklachten. Zij heeft nadien psychische klachten gekregen. Aan appellante is met ingang van 31 augustus 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%.

1.2.

Bij besluit van 6 november 2013 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering van appellante met ingang van 7 januari 2014 beëindigd. Het Uwv heeft op grond van medisch en arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Bij besluit van 14 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 november 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig geacht. Zij heeft overwogen dat uit de overgelegde verklaring van 23 januari 2014 van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van GGZ Midden-Holland niet volgt dat ten tijde van het bestreden besluit bij appellante sprake was van een ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken. De enkele mededeling dat de medicatie van appellante in januari 2014 is verhoogd, leidt evenmin tot die conclusie.

Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige heeft nagelaten in zijn rapport toe te lichten waarom de geselecteerde functies geschikt zijn, gelet op de beperking in het hanteren van emotionele problemen van anderen. De rechtbank heeft de gegeven toelichting ter zitting voldoende geacht.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de medicatie één dag voor de datum in geding is verhoogd, wat duidt op een toename van haar klachten en beperkingen. Appellante is van mening dat uit de in beroep overgelegde informatie van GGZ Midden-Holland blijkt dat sprake is van een ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken. Zij stelt dat de rechtbank onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv ter zitting de geschiktheid van de geselecteerde functies ter zitting voldoende heeft toegelicht.

3.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 10 september 2014 nader toegelicht dat de classificatie ‘depressieve stoornis, ernstig met psychotische kenmerken’ niet meer aan de orde was in december 2013. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de ophoging van de medicatie zeer waarschijnlijk te maken heeft met de depressieve klachten. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd al meer dan voldoende rekening gehouden met deze klachten. In een rapport van 23 september 2014 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de geschiktheid van de geselecteerde functies nader toegelicht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op goede gronden heeft de rechtbank geconcludeerd dat door de verzekeringsartsen zorgvuldig medisch onderzoek is verricht. Op grond van de beschikbare gegevens is niet gebleken dat de medische beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid zijn onderschat. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 10 september 2014 voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom de in de FML opgenomen belastbaarheid voldoende tegemoet komt aan de beperkingen van appellante. Door appellante zijn in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van het medische standpunt van het Uwv.

4.2.

Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt in hoger beroep dat haar beperking op het gebied van het omgaan met emotionele problemen van anderen ongeschiktheid van de geselecteerde functies met zich brengt. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het

proces-verbaal, opgemerkt dat tijdens de zitting bij de rechtbank is toegelicht dat in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat men in de geselecteerde functies niet te maken krijgt met emotionele problemen van anderen. De overweging van de rechtbank dat binnen de functies moet worden omgegaan met emotionele problemen van anderen moet dan ook als een kennelijke verschrijving worden aangemerkt. In hoger beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 23 september 2014 de geschiktheid van de geselecteerde functies met betrekking tot de items 1.9.4. en 2.6.2. nader toegelicht. De Raad acht deze toelichting voldoende. Appellante moet in staat worden geacht de geselecteerde functies te vervullen.

4.3.

Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2015.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) M. Crum

RB