Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
13-4719 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4719 WIA

Datum uitspraak: 24 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
16 juli 2013, 12/4642 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 14 maart 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is ontstaan omdat hij per 30 april 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 7 augustus 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van het uitgevoerde medische onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv. Daarbij wijst de rechtbank er in het bijzonder op dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennis heeft genomen van alle medische gegevens en gemotiveerd te kennen heeft gegeven waarom de beperkingen die appellant op 30 april 2012 had op adequate wijze zijn verwerkt in de Functionele mogelijkhedenlijst van 8 februari 2012 (FML). De rechtbank gaat bij het vormen van haar oordeel uitgebreid in op de door appellant in bezwaar en beroep aangevoerde argumenten en overgelegde stukken. Voorts komt de rechtbank tot het oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties - wat betreft de daaraan voor appellant verbonden belasting - de belastbaarheid van appellant niet te boven gaan. Er bestaat volgens de rechtbank geen aanleiding om de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk te achten.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij meer beperkt is dan vastgesteld in de FML en dat de geduide functies zijn beperkingen overschrijden. Appellant is in verband met zijn lichamelijke en psychische beperkingen niet in staat om te werken.

4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad komt tot het volgende oordeel.

5.1.

De gronden waarop het hoger beroep berust zijn een herhaling van hetgeen appellant in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard.

5.2.

Appellant stelt zich in hoger beroep opnieuw op het standpunt dat hij als gevolg van zijn lichamelijke en geestelijke klachten niet in staat is te werken en dat hij meer beperkt is dan in de FML aangenomen. Onder verwijzing naar de in 3.5 tot en met 3.10 in de aangevallen uitspraak gegeven uitgebreide motivering is de rechtbank terecht van oordeel dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de - mede op basis van informatie van de behandelende sector tot stand gekomen - bevindingen van de verzekeringsartsen met betrekking tot de belastbaarheid van appellant. Daarbij is nog van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkens zijn rapport van 25 juni 2012 ook expliciet ingaat op de door de behandelend sector van appellant overgelegde rapporten. Ook die gegevens geven naar het oordeel van die verzekeringsarts geen reden tot aanpassing van de in de FML vastgestelde beperkingen van appellant. Weliswaar blijkt uit de gedingstukken dat bij appellant op enig moment een GAF-score van 45-55 is vastgesteld, maar uit de brief van de behandelend psychiater van appellant van 1 juni 2012 komt naar voren dat die psychiater de bij appellant bestaande depressie als matig kwalificeert en daarbij tevens aangeeft dat die depressie gedeeltelijk in remissie is. De GAF-score geeft voorts niet aan of en welke beperkingen in de FML moeten worden opgenomen. Voorts kan uit de gedingstukken niet worden afgeleid dat de medicatie in verband met de psychische klachten reeds op de datum hier in geding was verhoogd. De verzekeringsarts heeft ook expliciet beoordeeld of er in het geval van appellant indicatie bestond voor een urenbeperking. In zijn - door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven - rapport van 8 februari 2012 motiveert de verzekeringsarts overtuigend en inzichtelijk dat indien met de door hem vastgestelde beperkingen rekening wordt gehouden appellant zonder bezwaar van medische kant fulltime aan het arbeidsproces kan deelnemen.

5.3.

Naar aanleiding van de in hoger beroep nader ingekomen stukken heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar reactie van 8 juni 2015 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat ook het vermeende bij appellant bestaande thoracic outlet syndroom niet leidt tot aanpassing van de FML, nu in die FML reeds rekening is gehouden met de beperkte mate waarin appellant zijn armen kan belasten.

5.4.

Uitgaande van de juistheid van de FML komt de rechtbank in de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 van de aangevallen uitspraak terecht tot het oordeel dat belasting in de functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt en dat er daarom geen reden bestaat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk te achten. De Raad merkt hierbij nog op dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 6 juli 2012 ook uitgebreid motiveert waarom de belasting in de voorgehouden functies in overeenstemming is met de belastbaarheid van appellant.

6. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D. van Wijk

JL