Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2454

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
12-6262 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6262 WAO

Datum uitspraak: 24 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 oktober 2012, 12/581 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.J.H. Habers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2014.

Mr. Habers is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

Het onderzoek ter zitting is heropend.

Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 16 juli 1998 uitgevallen voor haar werk als taxichauffeuse voor 35 uur per week in verband met vermoeidheids- en pijnklachten en psychische klachten. Later is bij appellante fibromyalgie vastgesteld. Vanaf 15 juli 1999 heeft zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Met ingang van 17 november 2008 is deze uitkering ingetrokken omdat appellante geschikt werd geacht voor haar arbeid van taxichauffeuse. In aansluiting hierop heeft appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Daarnaast heeft zij vanaf 11 januari 2010 voor 12 uur per week gewerkt als medewerker bij een callcenter.

1.2.

Op 7 januari 2011 heeft appellante zich ziek gemeld voor haar werk bij het callcenter in verband met toegenomen pijn- en gewrichtsklachten, vermoeidheidsklachten en psychische klachten. Op 15 november 2011 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld binnen vijf jaar na de intrekking van de WAO-uitkering.

1.3.

Het Uwv heeft beoordeeld of zich een situatie voordeed als bedoeld in artikel 43a van de WAO. Op grond van deze bepaling geldt een verkorte wachttijd van vier weken voor de verzekerde die binnen vijf jaar na intrekking van zijn uitkering weer arbeidsongeschikt wordt, als sprake is van arbeidsongeschiktheid voortkomend uit dezelfde oorzaak ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten.

1.4.

Bij besluit van 20 december 2011 heeft het Uwv geweigerd appellante met toepassing van artikel 43a van de WAO met ingang van 4 februari 2011 een WAO-uitkering toe te kennen.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 2 mei 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2011 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij aangenomen dat bij appellante weliswaar sprake is van toegenomen beperkingen die voortkomen uit dezelfde oorzaak op grond waarvan de ingetrokken WAO-uitkering werd genoten, maar dat deze toegenomen beperkingen niet hebben geleid tot arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, onder overweging dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. Appellante is door verscheidene verzekeringsartsen gezien en bij het medisch onderzoek is informatie van psycholoog F. Winter en van reumatoloog H.E. Vonkeman betrokken. Uitgaande van dit zorgvuldige onderzoek heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de juistheid van de in de bezwaarfase opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst. Met deze voor haar geldende beperkingen was appellante in staat in de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies een zodanig inkomen te verdienen dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was, aldus de rechtbank.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de ziekmelding van

7 januari 2011, mede gelet op de psychische klachten die samenhangen met de fibromyalgie, had moeten leiden tot toepassing van artikel 43a van de WAO.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat met ingang van 4 februari 2011 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO.

4.2.

Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank en de daartoe gebruikte overwegingen worden volledig onderschreven. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, wordt daar het volgende aan toegevoegd.

4.3.

Naar aanleiding van vragen van de Raad is de verzekeringskundige bezwaar en beroep gemotiveerd ingegaan op de beoordeling van de psychische klachten van appellante. Uit het verzekeringskundige rapport in de bezwaarprocedure blijkt dat een samenhang aanwezig is tussen de psychische klachten en de klachten van fibromyalgie. De psychische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn dan ook bij de beoordeling betrokken. Ook is in ogenschouw genomen dat appellante bekend is met spondylose van de wervelkolom, en zijn de beperkingen die voortvloeien uit deze rugklachten bij de beoordeling betrokken. Met deze nadere toelichting van de zijde van het Uwv is naar het oordeel van de Raad overtuigend gemotiveerd dat ondanks de toegenomen beperkingen die voortkomen uit dezelfde oorzaak op grond waarvan de ingetrokken WAO-uitkering werd genoten, er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per datum in geding. Deze toegenomen beperking staan er niet aan in de weg dat appellante werkzaam kan zijn en in de door de arbeidsdeskundige genoemde functies een zodanig inkomen kan verdienen dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

4.4.

Verder is op inzichtelijke wijze uiteengezet hoe het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante op 4 februari 2011 inzetbaar was, zich verhoudt tot de acceptatie in de Ziektewet.

4.5.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

24 juli 2015.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M. Crum

AP