Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2446

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
14-1422 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking reorganisatieontslag. Eervol ontslag vanwege arbeidsongeschiktheid na toekenning van WGA-uitkering. Voldaan aan de in artikel 98, derde lid, onder c, van het ARAR gestelde voorwaarde voor ziekteontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1422 AW, 14/3077 AW

Datum uitspraak: 23 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
31 januari 2014, 13/4562 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. van der Steen hoger beroep ingesteld.

Namens de minister heeft mr. J.J.B. van den Elsaker een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft zijn zienswijze over het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2015. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van den Elsaker, mr. A.J. de Korte en P.J.J. van der Pas.


OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1989 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van (Veiligheid en) Justitie, laatstelijk in de functie van senior groepswerker/sportinstructeur bij de Penitentiaire Inrichting (PI) in [A.]. Vanaf 2006 heeft appellant deze functie niet meer verricht en heeft hij op grond van artikel 58, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) elders tijdelijk andere werkzaamheden verricht, laatstelijk als medewerker bouwtoezicht bij de PI in [B.].

1.2.

Op 29 december 2008 is appellant uitgevallen wegens ziekte. Bij besluit van 14 december 2012 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), na een eerdere vrijwillige loondoorbetaling en een daarop gevolgde loonsanctie als gevolg van het onvolledig verstrekken van stukken inzake de re-integratie, aan appellant met ingang van 25 december 2012 een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten

(WGA-uitkering) toegekend.

1.3.

Bij brief van 1 februari 2013 heeft de minister het besluit van 14 november 2012, waarbij appellant per 14 februari 2012 reorganisatieontslag was verleend, ingetrokken en is appellant op de hoogte gesteld van het voornemen hem met ingang van 1 maart 2013 eervol ontslag vanwege arbeidsongeschiktheid wegens ziekte te verlenen op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARAR. Op 26 februari 2013 heeft de minister overeenkomstig dit voornemen besloten.

1.4.

Bij besluit van 12 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het tegen het besluit van 26 februari 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft de minister zich, onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij artikel 98, zevende lid, van het ARAR, zoals gewijzigd bij Besluit van 18 december 2009 (Stb. 2010, 9, blz. 27-28), primair op het standpunt gesteld dat met de toekenning van de WGA-uitkering door het Uwv is voldaan aan de ontslagvoorwaarden van artikel 98, derde lid, van het ARAR. Subsidiair heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat, indien de in deze bepaling genoemde ontslagvoorwaarden afzonderlijk worden beoordeeld, aan de ontslagvoorwaarden is voldaan. Volgens de minister is duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van appellant niet binnen een redelijke termijn te verwachten en is het ter zake verrichte onderzoek niet onzorgvuldig geweest.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is, samengevat, het volgende overwogen. Het in het bestreden besluit ingenomen primaire standpunt van de minister wordt niet gevolgd. Het beroep op de toelichting bij artikel 98, zevende lid, van het ARAR gaat niet op in een situatie als hier aan de orde, waarin het Uwv pas na het opleggen van de maximale loonsanctie van 52 weken tot toekenning van een WGA-uitkering is overgegaan. In zo’n geval kan uit die toekenning immers niet worden afgeleid dat het Uwv de re-integratieactiviteiten van de werkgever heeft beoordeeld en (alsnog) als voldoende heeft aangemerkt. Het in het bestreden besluit ingenomen subsidiaire standpunt van de minister wordt wel gevolgd. De minister heeft zich voldoende ingespannen om passend werk voor appellant te zoeken. Nu die inspanningen niet tot duurzame re-integratie hebben geleid, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen concluderen dat een duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van appellant niet binnen een redelijke termijn te verwachten valt.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep verzet tegen het oordeel van de rechtbank over het subsidiaire standpunt van de minister. Appellant heeft hiertoe, samengevat, het volgende aangevoerd. De minister doet voorkomen dat alles is gedaan om appellant een passende functie aan te bieden, maar de werkelijke intentie van de minister was om hem niet in de PI in [B.] te plaatsen. De minister heeft te weinig daadwerkelijke re-integratieactiviteiten verricht en hij heeft zich niet welwillend opgesteld bij het zoeken naar een nieuwe functie of een stageplek. Passende functies of functies die passend te maken zijn, zijn niet aangeboden of zijn zonder de vacature open te stellen aan anderen vergeven. Verder is het vreemd dat het aanvankelijk aan hem verleende reorganisatieontslag, dat voor hem financieel gunstiger was, later is veranderd in een ziekte-ontslag. Appellant heeft verder nog aangevoerd dat diverse beslissingen in een verder verleden, onder meer ten aanzien van dienstongevallen in 1992 en 1997 en het gevolgde traject na de aanwijzing van appellant als herplaatingskandidaat per

1 januari 2009, op onjuiste feiten berusten.

3.2.

Het incidenteel hoger beroep van de minister is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het in het bestreden besluit ingenomen primaire standpunt. De minister handhaaft bedoeld standpunt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 98 van het ARAR luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Anders dan (…), kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:

(…)

f. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
(…)

3. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan slechts plaatsvinden indien:

a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,

b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en

c. het bevoegd gezag van oordeel is dat duurzame reïntegratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van de ambtenaar, niet binnen een redelijke termijn te verwachten is.
(…)

7. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, betrekt het bevoegd gezag de uitslag van de beoordeling door het UWV van de claim in het kader van de WIA. Indien deze beoordeling niet of langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden, vraagt het bevoegd gezag aan het UWV een oordeel als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet SUWI en betrekt dit bij zijn beoordeling.
(…).”

4.2.

Niet in geschil is dat aan de voorwaarden in artikel 98, derde lid, onder a en b, van het ARAR is voldaan. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of aan de in het derde lid, onder c gestelde ontslagvoorwaarde is voldaan.

Het incidenteel hoger beroep van de minister
4.3. In de Nota van Toelichting bij artikel 98 van het ARAR, zoals gewijzigd bij Besluit van 18 december 2009 (Stb. 2010, 9, blz. 27-28) is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever als voldoende zijn beoordeeld, volgt de verdere claimbeoordeling. Het UWV beoordeelt in dit kader de arbeidsgeschiktheid van werknemer. Het oordeel van het UWV hierover (als onderdeel van de WIA-beschikking) is de basis voor het oordeel van de werkgever of voldaan is aan de onderdelen a en b van artikel 98, derde lid, Arar (…). Met een positieve beschikking van het UWV op de aanvraag van een WIA-uitkering is voldaan aan ontslagvoorwaarden in artikel 98, derde lid, Arar (…), mits het ontslagbesluit binnen één jaar na de datum van de beschikking wordt genomen. Na deze termijn dient de werkgever eerst een deskundigen-oordeel aan het UWV te vragen.”

4.4.

De minister ontleent aan deze toelichting de opvatting dat, nu het Uwv aan appellant een WGA-uitkering heeft verstrekt, daarmee automatisch is voldaan aan de voorwaarde van artikel 98, derde lid, onder c, van het ARAR. De Raad deelt die opvatting niet. Uit artikel 98, derde en zevende lid, van het ARAR blijkt dat het bevoegd gezag over het al dan niet vervuld zijn van bedoelde voorwaarde moet beslissen en dat het bevoegd gezag bij die beslissing de claimbeoordeling van het Uwv betrekt. Met deze duidelijke wettekst is niet te verenigen dat aan de claimbeoordeling door het Uwv doorslaggevende betekenis toekomt. Een andere uitleg zou strijd met de rechtszekerheid opleveren. Aan de onder 4.3 weergegeven toelichting kan daarom niet de betekenis worden gehecht die de minister daaraan toekent.

4.5.

De conclusie is dat het incidenteel hoger beroep van de minister niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt in zoverre, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

Het hoger beroep van appellant

4.6.

De Raad is, anders dan appellant, met de minister en de rechtbank van oordeel dat aan de in artikel 98, derde lid, onder c, van het ARAR gestelde voorwaarde voor ziekteontslag is voldaan. Het betoog van appellant dat de minister te weinig daadwerkelijke

re-integratieinspanningen heeft verricht en niet de intentie had om voor hem passend werk te vinden, vindt geen steun in de stukken. Appellant heeft voor het vinden van werk binnen en buiten het ministerie begeleiding gehad van het Bureau Bevordering Arbeidsparticipatie, Margolin en Aob Compaz. Verder is appellant voorgedragen voor diverse andere functies binnen het ministerie. Dat deze inspanningen niet daadwerkelijk tot ander werk hebben geleid, betekent niet dat de minister zich onvoldoende heeft ingespannen en kan de minister niet worden verweten. De minister heeft zich, gelet op de beperkingen van appellant en de verrichte re-integratie-inspanningen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat duurzame re-integratie in arbeid die aansluit bij de benutbare mogelijkheden van appellant, niet binnen een redelijke termijn te verwachten was.

4.7.

De onvrede van appellant over de in 3.1 genoemde in het verleden genomen beslissingen, onder meer met betrekking tot genoemde dienstongevallen en het gevolgde traject na de aanwijzing als herplaatingskandidaat, kan aan het in 4.6 gegeven oordeel over de ontslagvoorwaarde van artikel 98, derde lid, onder c, van het ARAR niet afdoen. Wat appellant over die beslissingen in het verleden heeft aangevoerd, kan verder buiten bespreking blijven. Zijn stelling dat het vreemd is dat het aanvankelijk aan hem verleende reorganisatieontslag, dat voor hem financieel gunstiger was, later is veranderd in een

ziekte-ontslag, treft evenmin doel. Tegen de intrekking van het reorganisatieontslag heeft appellant geen bezwaar gemaakt. In deze procedure ligt alleen het ziekte-ontslag ter beoordeling voor.

4.8.

De conclusie is dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

5. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep van de minister redelijkerwijs heeft moeten maken. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht komt appellant in aanmerking voor vergoeding van de reiskosten voor de zitting van de Raad, berekend op basis van openbaar vervoer tweede klas, zijnde een bedrag van € 32,20.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 32,20.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2015.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD