Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2444

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
14-6696 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vastgestelde beoordeling luidt onvoldoende. Dat het gespreksverslag wel door appellante, maar niet door de twee andere gespreksdeelnemers is ondertekend, doet geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de beoordeling die tijdens dat gesprek is besproken. Appellante heeft op zichzelf niet bestreden dat haar functioneren in de beoordelingsperiode te wensen overliet. Langdurige periodes van arbeidsongeschiktheid staan niet in de weg aan het opmaken van een beoordeling en maken deze niet onzorgvuldig of irreëel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6696 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

27 oktober 2014, 14/2249 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ‘s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. E.A.M. van Gaal, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft hierop gereageerd en nadere stukken ingezonden. Daarop heeft het college een reactie ingezonden. Appellante heeft op haar beurt weer gssereageerd en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door G. van Asperen en A.W. van de Braak. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Gaal en C.C. Hattink.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is sinds 21 december 1992 werkzaam bij de gemeente ’s-Hertogenbosch, laatstelijk in de [functie] bij de [afdeling/team]. Op 6 november 2012 heeft haar leidinggevende met haar de jaarlijkse beoordeling besproken over de periode 1 november 2011 tot 1 november 2012. De op 17 januari 2013 vastgestelde beoordeling luidt voldoende. Daarbij zijn als aandachtspunten vermeld: werktempo, gestructureerd werken, tijdigheid en (vooral) verantwoordelijk zijn en voelen voor het eigen werk.

1.2.

Op 6 november 2013 is de beoordeling over de periode 1 november 2012 tot 1 november 2013 met appellante besproken. Die beoordeling, vastgesteld bij besluit van 18 december 2013, luidt onvoldoende. Als aandachtspunten zijn door de leidinggevende in het gesprek benoemd: er is geen verbetering met betrekking tot de afspraken uit het vorige functioneringsgesprek; appellante neemt de tijdens bilaterale gesprekken met de leidinggevende besproken punten niet serieus; er is geen merkbare verandering in houding, gedrag en verantwoording voor haar werkzaamheden; zij deelt informatie (bijvoorbeeld over ontstane achterstanden) niet met collega’s; zij leunt op een collega, die juist op haar als meer ervaren collega zou moeten kunnen leunen.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 december 2013 is bij besluit van

27 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft op hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het verslag van het gesprek van 6 november 2013 dat appellante, overeenkomstig de voorgeschreven procedure, heeft opgesteld, wordt inhoudelijk niet bestreden. Reeds daarom doet het gegeven dat dit verslag wel door appellante, maar niet door de twee andere gespreksdeelnemers is ondertekend, geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de beoordeling die tijdens dat gesprek is besproken.

4.2.

Appellante heeft gesteld dat er geen beoordeling over 2013 had mogen plaatsvinden, omdat zij gedurende negen maanden van het jaar haar werkzaamheden vanwege een aantal samenhangende factoren niet op normale wijze heeft kunnen vervullen. Van 1 januari 2013 tot 24 juni 2013 was sprake van een tijdelijke onderbezetting op de afdeling, bij appellante was sprake van een structurele medische aandoening en van psychische klachten die deels het gevolg waren van die structurele medische aandoening, deels van niet verwerkte trauma’s en deels van de tijdelijke onderbezetting. Bovendien was appellante vanaf 1 augustus 2013 ook nog een periode van drie maanden ziek en zat zij in een re-integratietraject.

4.3.

De Raad volgt appellante niet in deze stelling. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraken van 1 september 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU2314 en van 18 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO5102) staan langdurige periodes van gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid niet in de weg aan het opmaken van een beoordeling en maken deze niet onzorgvuldig of irreëel. De beoordeling hoort wel alleen betrekking te hebben op het functioneren op dagen of uren van arbeidsgeschiktheid. Over die dagen of uren hoeven geen lagere eisen aan het functioneren van de ambtenaar te worden gesteld. Aan de gezondheidstoestand van de ambtenaar komt in die zin slechts geringe betekenis toe.

4.4.

Met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellante is van belang dat zij zich in de periode van 1 januari 2013 tot aan haar operatie op 1 augustus 2013, afgezien van één ziekteperiode van 6 tot 18 maart 2013, niet geheel of gedeeltelijk ziek heeft gemeld. Wel heeft de bedrijfsarts in die periode enige malen aan appellante en haar leidinggevende geadviseerd over de belastbaarheid van appellante in verband met de werkdruk. Naar het oordeel van de Raad heeft de leidinggevende voldoende aannemelijk gemaakt dat zij, zoals de bedrijfsarts had aangegeven, oog heeft gehad voor de belasting en belastbaarheid, onder meer door het takenpakket van appellante te reduceren en haar tijdens de geregelde werkoverleggen te adviseren over een meer gerichte werkaanpak. Voor de stelling van appellante, dat zij bij haar leidinggevende vergeefs aandacht heeft gevraagd voor haar psychische overbelasting in het werk, heeft de Raad geen ondersteuning kunnen vinden in de gedingstukken. Integendeel, ter zitting van de rechtbank heeft zij verklaard dat zij het werk psychisch wel aan kon, maar met een kanttekening. Nu appellante in de genoemde periode niet ziek gemeld was en de opgedragen werkzaamheden bovendien werden afgestemd op haar mogelijkheden, was er geen reden om over die periode een beoordeling achterwege te laten.

4.5.

Appellante heeft op zichzelf niet bestreden dat haar functioneren in de beoordelingsperiode te wensen overliet, dat er geen positieve veranderingen waren opgetreden in haar houding en gedrag ten opzichte van de vorige beoordelingsperiode, en dat de aandachtspunten die haar bij de vorige beoordeling waren meegegeven nog onverminderd golden. Zij heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de kwalificatie “onvoldoende” niet terecht was, aangezien zij in de beoordelingsperiode niet normaal kon functioneren als gevolg van haar gezondheidstoestand en de onderbezetting van de afdeling. De Raad kan haar daarin niet volgen. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 30 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9534) waarin wordt geoordeeld dat belastende omstandigheden waaronder de ambtenaar zijn werk moet doen, zoals gezondheidsklachten, hooguit invloed kunnen hebben op de aan de beoordeling te verbinden rechtspositionele gevolgen (die hier niet in geding zijn), maar niet kunnen leiden tot hogere scores dan op grond van het feitelijk functioneren gerechtvaardigd is.

4.6.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en

L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2015.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD