Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
24-07-2015
Zaaknummer
14-3532 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3532 AW

Datum uitspraak: 23 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 januari 2014, 12/6034 AW

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft op 23 juni 2014 om herziening verzocht van de uitspraak van 28 januari 2014.

Namens het college heeft mr. W.J. Bloemena een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 juni 2015. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Bij de uitspraak van 28 januari 2014 heeft de Raad beslist op het hoger beroep van verzoeker dat betrekking heeft op het ontslag op andere gronden en de daarbij behorende passende financiële regeling. Daarbij is overwogen dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

2. Verzoeker heeft om herziening van de uitspraak van 28 januari 2014 gevraagd. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat er na het ingelaste gesprek op 2 november 2010 tussen hem en zijn leidinggevende M op 3 november 2010 in de vroege ochtend een telefonisch onderhoud heeft plaatsgevonden waarbij er in goede harmonie tussen hem en M een afspraak is gemaakt om op 4 november 2010 onder vier ogen het vervelende gesprek van 2 november 2010 te herbespreken om de lucht te klaren. Volgens verzoeker is deze afspraak door M verwaarloosd op een onverklaarde en onverklaarbare wijze. De afspraak voor 4 november 2010 is volgens verzoeker een nieuw feit. Hij ziet het niet nakomen van deze afspraak als hét ontstaansmoment van het geschil. Verzoeker wil dat er door de Raad uitspraak wordt gedaan over dit nieuwe feit, met vermelding van dit nieuwe feit. Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn verzoek om herziening enkele e-mailberichten overgelegd, waarin de op 3 november 2010 gemaakte afspraak aan de orde komt.

3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen, omdat geen sprake is van een novum en verzoeker hiermee tracht het met de uitspraak van de Raad afgesloten debat te heropenen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4.2.

De afspraak tussen verzoeker en zijn leidinggevende M zoals gemaakt op 3 november 2010 voor 4 november 2010, betreft een feit dat heeft plaatsgevonden vóór de uitspraak van de Raad van 28 januari 2014. De afspraak was verzoeker echter reeds vóór de uitspraak van 28 januari 2014 bekend. Het gesprek tussen verzoeker en M waarin de afspraak is gemaakt, is zelfs opgenomen in de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Onder 3.5 is het volgende overwogen: “Uit het feit dat appellant op 3 november contact met M heeft opgenomen, leidt de Raad af dat (….)”. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Raad van 19 september 2013 is het gesprek van 3 november 2010 waarbij de afspraak voor

4 november 2010 is gemaakt, uitdrukkelijk en herhaaldelijk op de zitting aan de orde geweest. Er is dan ook geen sprake van feiten of omstandigheden die bij verzoeker vóór de uitspraak niet bekend waren, zoals vereist in artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Reeds hierom kan het verzoek om herziening niet voor toewijzing in aanmerking komen.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak is het bijzondere middel van herziening voorts niet gegeven om - eventueel op basis van andere argumenten - een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Hetgeen overigens door verzoeker is aangevoerd, kan worden aangemerkt als een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak.

4.4.

De Raad komt tot de conclusie dat het verzoek om herziening van de uitspraak van

28 januari 2014 moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en

L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2015.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD