Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
24-07-2015
Zaaknummer
14-2495 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het door appellant ter zitting gedane beroep op artikel 1, aanhef onder b en c, in samenhang met artikel 4, aanhef en onder c, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgb/CZ) buiten beschouwing mogen laten. Nu het dagelijks bestuur zich daar niet op heeft kunnen voorbereiden en niet is gebleken dat deze beroepsgrond niet eerder aangevoerd had kunnen worden, heeft de rechtbank de handelwijze van appellant terecht in strijd met de goede procesorde geacht. De stelling van appellant dat de rechtbank op grond van artikel 8:69, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgronden had moeten aanvullen, treft geen doel. In de in het beroepschrift vermelde grond dat ten onrechte is verwezen naar de medische beperkingen en het ziekteverzuim van appellant heeft de rechtbank geen beroep op de Wgb/CZ hoeven lezen. Dit neemt niet weg dat de Raad in hoger beroep wel acht zal slaan op de aan de Wgb/CZ ontleende beroepsgrond van appellant. Het in artikel 4, aanhef en onder c, van de Wgb/CZ bedoelde ongeoorloofde onder c, van de Wgb/CZ bedoelde ongeoorloofde onderscheid ziet op het aanstellen tot ambtenaar en het beëindigen van het dienstverband van een ambtenaar en niet op het plaatsen van de ambtenaar in een functie binnen een reeds bestaand dienstverband, waarvan hier sprake is. Deze beroepsgrond treft geen doel. Overigens is niet gebleken dat appellant op grond van handicap of chronische ziekte niet in de functies van commercieel manager of manager detachering is geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/152

Uitspraak

14/2495 AW

Datum uitspraak: 23 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

25 maart 2014, 13/5982 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling WNO Bedrijven 1999, handelend onder de naam 'Breed' (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Dieks, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het dagelijks bestuur heeft mr. M.P.J. Rubens, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dieks. Namens het dagelijks bestuur zijn verschenen mr. D. Galijasevic en mr. Rubens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1 juli 1975 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) ‘Breed’ en was laatstelijk werkzaam als [naam functie] op de [afdeling]. Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft het dagelijks bestuur appellant in het kader van een reorganisatie de status van herplaatsingskandidaat verleend wegens het vervallen of ingrijpend wijzigen van de door appellant uitgeoefende functie. Appellant heeft zijn belangstelling kenbaar gemaakt voor de functies van commercieel manager en manager detachering. Op 13 december 2012 heeft appellant deelgenomen aan een assessment dat hij voortijdig heeft afgebroken wegens concentratieproblemen. Appellant heeft daarna een gesprek gehad met de herplaatsingscommissie. Deze commissie heeft het dagelijks bestuur geadviseerd om appellant niet op de functies van commercieel manager en manager detachering te plaatsen.

1.2.

Bij besluit van 24 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2013, heeft het dagelijks bestuur besloten om appellant niet te plaatsen in de functies van commercieel manager en manager detachering.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 3:2, eerste lid, van het Sociaal Plan Breed 2012 (Sociaal Plan) worden bij de herplaatsing van medewerkers in volgorde van belangrijkheid de volgende criteria gehanteerd:

a. de geschiktheid van de medewerker voor een functie, zoals die blijkt uit zijn competenties, opleidings- en ervaringsgegevens of ontwikkelassessment;

b. de voorkeur van de medewerker voor bepaalde functies zoals dat blijkt uit de belangstellingsregistratie;

c. de diensttijd van de medewerker bij Breed.

4.2.

In artikel 4:3 van het Sociaal Plan is, voor zover hier van belang, bepaald dat in beginsel voor elke herplaatsingskandidaat een ontwikkelassessment onderdeel zal uitmaken van de plaatsingsprocedure. Dit assessmentonderzoek zal leiden tot een (zwaarwegend) advies of iemand geschikt is of in zes maanden geschikt te maken is voor een functie of niet. Daarnaast zal ook gekeken worden naar (bestaande en te ontwikkelen) competenties en vaardigheden voor de verdere loopbaan.

4.3.

De beslissing van het dagelijks bestuur om appellant niet te plaatsen op de functies van commercieel manager en manager detachering is het resultaat van een beoordeling van de capaciteiten van appellant tegen de achtergrond van de functie-eisen. Daarbij heeft het dagelijks bestuur een grote mate van vrijheid. De toetsing door de rechter is daarom terughoudend en beperkt tot de vraag of het dagelijks bestuur niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen.

4.4.

Het dagelijks bestuur heeft bij het besluit om appellant niet te plaatsen zwaar gewicht toegekend aan het advies van de herplaatsingscommissie. Uit dit advies blijkt dat de commissie de geschiktheid van appellant - bij gebrek aan de resultaten van een assessment - heeft beoordeeld op basis van het gesprek en de overige beschikbare informatie. Hierbij heeft de commissie betrokken dat appellant geen informanten heeft opgegeven en weinig gedrevenheid en flair heeft getoond voor de functies. Voorts bestaat op basis van het curriculum vitae twijfel of appellant het gewenste WO opleidingsniveau heeft en heeft appellant te kennen gegeven dat hij het gezien zijn gezondheidssituatie moeilijk vindt om grenzen te stellen. Nu het cruciale functies betreft met een groot afbreukrisico en er te veel twijfels zijn over de geschiktheid van appellant voor deze twee functies, heeft de commissie geadviseerd om appellant niet te plaatsen.

4.5.

Het dagelijks bestuur heeft op grond van het onder 4.4. weergegeven advies in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat appellant niet beschikt over de vereiste ervaring en competenties voor de functies van commercieel manager en manager detachering. De omstandigheid dat appellant zelf te kennen heeft gegeven dat hij het in verband met zijn gezondheidssituatie moeilijk vindt om grenzen te stellen, mocht het dagelijks bestuur bij deze beoordeling betrekken. De door appellant opgedane ervaring en zijn functioneren in eerdere managersfuncties heeft het dagelijks bestuur niet doorslaggevend hoeven achten, nu de taken en verantwoordelijkheden in de nieuwe organisatie zodanig anders zijn dat sprake is van nieuwe functies met andere competenties. De verklaring van D - algemeen directeur-bestuurder van ‘Breed’ in de periode van 2004 tot en met 2010 - leidt niet tot een ander oordeel, nu D reeds geruime tijd uit dienst was op het moment van de reorganisatie. Het dagelijks bestuur hoefde, anders dan appellant stelt, geen aanleiding te zien om nog nader onderzoek te verrichten naar het niveau van appellant door middel van een proefplaatsing. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting duidelijk gemaakt dat de functies zich daar niet voor lenen, nu deze cruciaal zijn voor de omslag van productiebedrijf naar arbeidsbemiddelingsbedrijf, waarbij ‘Breed’ zich in toenemende mate toelegt op het detacheren van haar werknemers naar reguliere werkgevers. Voor een goed verloop van deze herstructurering dienen de voor de betreffende functies vereiste competenties en vaardigheden al bij aanvang aanwezig te zijn.

4.6.1.

De rechtbank heeft het door appellant ter zitting gedane beroep op artikel 1, aanhef onder b en c, in samenhang met artikel 4, aanhef en onder c, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgb/CZ) buiten beschouwing mogen laten. Nu het dagelijks bestuur zich daar niet op heeft kunnen voorbereiden en niet is gebleken dat deze beroepsgrond niet eerder aangevoerd had kunnen worden, heeft de rechtbank de handelwijze van appellant terecht in strijd met de goede procesorde geacht. De stelling van appellant dat de rechtbank op grond van artikel 8:69, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgronden had moeten aanvullen, treft geen doel. In de in het beroepschrift vermelde grond dat ten onrechte is verwezen naar de medische beperkingen en het ziekteverzuim van appellant heeft de rechtbank geen beroep op de Wgb/CZ hoeven lezen. Dit neemt niet weg dat de Raad in hoger beroep wel acht zal slaan op de aan de Wgb/CZ ontleende beroepsgrond van appellant. Het in artikel 4, aanhef en onder c, van de Wgb/CZ bedoelde ongeoorloofde onder c, van de Wgb/CZ bedoelde ongeoorloofde onderscheid ziet op het aanstellen tot ambtenaar en het beëindigen van het dienstverband van een ambtenaar en niet op het plaatsen van de ambtenaar in een functie binnen een reeds bestaand dienstverband, waarvan hier sprake is.

Deze beroepsgrond treft geen doel. Overigens is niet gebleken dat appellant op grond van handicap of chronische ziekte niet in de functies van commercieel manager of manager detachering is geplaatst.

4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en M.T. Boerlage en

J.A.M. van den Berk als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2015.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) S.W. Munneke

HD