Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2440

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
14-2043 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie, anders dan wegens ziekte of gebrek. Voldoende motivering. 2) Weigering na-wettelijke uitkering. Het college heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het ontslag van appellante niet gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer, maar grotendeels is te wijten aan appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2043 AW, 14/5325 AW

Datum uitspraak: 23 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van

12 maart 2014, 13/224 (aangevallen uitspraak 1) en van 26 augustus 2014, 13/2169

(aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Leudal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.F. van Norel hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 en mr. A. van Unnik tegen aangevallen uitspraak 2.

Namens het college zijn verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Norel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.P.F. van Duren, advocaat, mr. E. Barentsen en mr. W.H.M. Vrancken.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is per 27 november 2009 in vaste dienst aangesteld als [functie 1] van de gemeente Leudal voor 28 uur per week. Als gevolg van aanpassingen in de organisatie en in de personele bezetting is appellante per 1 augustus 2010 benoemd tot [functie 2], schaal 12, van deze gemeente, eveneens voor 28 uur per week. In 2011 is de organisatiestructuur van de gemeente Leudal opnieuw gewijzigd. Dat heeft onder andere tot gevolg gehad dat het team van appellante is uitgebreid met een pool van bodes en secretaresses, waardoor de formatie van dat team is uitgebreid van 10,17 naar 20,17 fte’s. In de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 is op verzoek van appellante haar arbeidsduur tijdelijk aangepast van

28 uur naar 32 uur per week. Op 18 april 2011 heeft appellante zich ziekgemeld vanwege klachten die passen bij een burn-out. Halverwege 2011 is appellante gestart met een

re-intregratietraject en is zij haar werkzaamheden geleidelijk in uren en zwaarte gaan opbouwen, met als doel om per 1 januari 2012 haar werkzaamheden volledig te kunnen hervatten. Tijdens de re-integratieperiode is appellante aan aantal keren uitgevallen wegens spanningsklachten. Per 1 januari 2012 heeft de bedrijfsarts appellante medisch in staat geacht haar werkzaamheden weer volledig te verrichten.

1.2.

Na een voornemen daartoe zijn appellante bij besluit van 27 december 2011 met ingang van 2 januari 2012 tot 1 juli 2012 tijdelijk andere werkzaamheden, die zijn verbonden aan de [functie 3], opgedragen onder handhaving van haar benoeming in de functie van [functie 2]. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante anders dan wegens ziekte ongeschikt is voor het verrichten van haar functie van [functie 2], dat het college streeft naar een passende oplossing en dat het college het niet in het belang van de dienst acht om lopende dat proces een terugkeer van appellante in haar functie van [functie 2] te forceren. Uiteindelijk hebben partijen geen overeenstemming over een minnelijke regeling tot beëindiging van het dienstverband kunnen bereiken.

1.3.

Na een voornemen daartoe, waarop appellante haar zienswijze heeft gegeven, is appellante bij besluit van 28 juni 2012 met toepassing van artikel 8:6 van de CAR/UWO met ingang van 1 januari 2013 ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de functie van [functie 2], anders dan wegens ziekte of gebrek. Daarbij is een re-integratiefase van acht maanden in acht genomen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat van het college niet kan worden verwacht appellante te handhaven in haar functie van [functie 2], terwijl appellante zichzelf niet in staat acht om die functie in 28 uur per week te vervullen en er ook geen perspectief is op een adequate functievervulling in de toekomst.

1.4.

Bij besluit van 11 december 2012 (bestreden besluit 1) zijn de bezwaren van appellante tegen de opdracht om tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten en tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

1.5.

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft Loyalis Maatwerkadministraties BV (Loyalis) namens het college appellante vanaf 2 januari 2013 een aanvullende uitkering op de WW-uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10d van de CAR/UWO en vanaf 1 mei 2015 tot 31 mei 2018 een na-wettelijke uitkering na afloop van de WW-uitkering als bedoeld in dat hoofdstuk toegekend. Bij besluit van 15 februari 2013 is appellante meegedeeld dat het besluit van

4 februari 2013 is komen te vervallen, is haar vanaf 2 januari 2013 een aanvullende uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10d van de CAR/UWO toegekend en een na-wettelijke uitkering onthouden. Bij besluit van 6 juni 2013 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen dit besluit van 15 februari 2013 ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 eveneens ongegrond verklaard

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

3.1.1.

Nu appellante geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank over de handhaving van de opdracht om tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten, is dit geschil in hoger beroep beperkt tot de vraag of (de handhaving van) het ontslagbesluit in rechte stand kan houden.

3.1.2.

Volgens vaste rechtspraak moet ongeschiktheid voor een functie zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist en worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen. Van ontslag wegens ongeschiktheid zal niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de betrokken ambtenaar op zijn functioneren is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld om dit te verbeteren. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1926.

3.1.3.

Voor het standpunt van het college dat appellante niet alleen tijdens het re-integratietraject, maar ook daarvoor bij herhaling in doen en laten en in haar uitlatingen in diverse gesprekken te kennen heeft gegeven dat zij zichzelf niet in staat achtte om haar functie van [functie 2] binnen 28 uur te verrichten, is in de aan het ontslag ten grondslag gelegde stukken voldoende onderbouwing te vinden. Dat het daarbij uitsluitend ging om een vraag om hulp, zoals appellante eerst in hoger beroep heeft gesteld, is niet gebleken. Volgens het college bestaat het takenpakket van een teamleider bij de gemeente Leudal voor 28 uur per week uit leiding geven en voor 8 uur per week uit projectmatige werkzaamheden. Degene die na appellantes ontslag is aangesteld in de functie van [functie 2], heeft dan ook weer een betrekkingsomvang van 36 uur per week, en oefent volgens het college de functie van [functie 2] uit in 28 uur per week en is daarnaast belast met projectmatige taken voor

8 uur per week. Aangezien appellante echter een uitgesproken voorkeur had voor een betrekkingsomvang van 28 uur per week, zijn bij haar aanstelling de projectmatige werkzaamheden uit haar takenpakket gehaald en elders in de organisatie ondergebracht. Appellante heeft haar stelling dat zij in haar arbeidsomvang van 28 uur per week naast haar leidinggevende werkzaamheden ook werd belast met projectmatige werkzaamheden, niet aannemelijk gemaakt. Uit het door het college overgelegde overzicht vanuit de tijdsregistratie blijkt wel dat appellante zich heeft beziggehouden met projectmatige activiteiten, maar dat was uitsluitend in de periode dat haar urenomvang op haar verzoek was uitgebreid van 28 uur naar 32 uur.

3.1.4.

Niet is gebleken dat het college bij appellante er op heeft aangedrongen om haar betrekkingsomvang uit te breiden naar 36 uur per week, zoals appellante heeft betoogd. Uit de gedingstukken blijkt juist dat het college de wens van appellante om niet meer dan 28 uur te werken ten volle heeft gerespecteerd en zich inspanningen heeft getroost om de door appellante ervaren problemen op te lossen.

3.1.5.

Weliswaar is na de wijziging van de organisatiestructuur in 2011 het team waaraan appellante leiding gaf, uitgebreid met een pool van bodes en secretaresses, maar de verwachting was toen al wel dat vanwege effectievere en efficiëntere bedrijfsvoering de formatie in de loop der tijd weer zou kunnen afnemen, hetgeen uiteindelijk ook is gebeurd. De stelling van appellante dat zij is overvallen met deze organisatiewijziging en

formatie-uitbreiding, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. De voorgenomen wijziging van de organisatiestructuur is al in oktober 2010 aan het personeel gepresenteerd en is voorbereid en tot stand gekomen met medewerking van medewerkers van de afdeling P&O, die toen onder de verantwoordelijkheid van appellante vielen.

3.1.6.

Naar aanleiding van de formatie-uitbreiding van het team van appellante, zijn twee senior-medewerkers belast met de functionele aansturing van de bodes en secretaresses, waaronder hun inroostering. Dat deze twee senior-medewerkers deze werkzaamheden al vanaf 2009 verrichtten, zoals appellante heeft betoogd, doet niet af aan het feit dat appellante na de formatie-uitbreiding niet met deze taken is belast. Appellante heeft, ook desgevraagd ter zitting, onvoldoende duidelijk kunnen maken dat de taakverzwaring als gevolg van de formatie-uitbereiding maakte dat het takenpakket van teamleider niet in een betrekkingsomvang van 28 uur per week kon worden verricht.

3.1.7.

Tijdens het re-integratietraject van appellante heeft het college in augustus 2011 een medewerkster tijdelijk voor een periode van vier maanden aangesteld om samen met appellante een duo-baan te vormen en de functie van [functie 2] te vervullen. Daarmee is appellante in staat gesteld geleidelijk haar werkzaamheden te hervatten. Tijdens die

re-integratieperiode is appellante een aantal keren uitgevallen wegens klachten die op overbelasting lijken. Het standpunt van het college dat de bedrijfsarts heeft geconstateerd dat daaraan geen onderliggend ziektebeeld ten grondslag ligt, heeft appellante niet weersproken.

3.1.8.

Appellante heeft het Managementteam (MT) voorts nog een aantal andere oplossingen voorgesteld voor de door haar ervaren problematiek, zoals haar de functie van [functie 2] definitief in een duo-baan laten vervullen of haar overplaatsen naar een kleiner team of haar extra administratieve ondersteuning bieden. Voor het MT waren dit echter geen aanvaardbare oplossingen. Zo was het MT van mening dat het vervullen van de functie van een [functie 2] in een duobaan geen haalbare optie was. Voor het plaatsen van appellante op een kleiner team bestonden geen mogelijkheden en vanwege de personele ombuigingen heeft het MT ook de optie om appellante extra administratieve ondersteuning te bieden afgewezen. Bij deze laatste oplossing vroeg het MT zich nog af of deze optie wel een oplossing is voor de door appellante ervaren problematiek.

3.1.9.

Toen de door appellante voorgestelde oplossingen voor de door haar ervaren problemen door het MT als niet bruikbaar waren afgewezen, had appellante zich met haar functioneren dienen te voegen naar de eisen die de functie na de organisatiewijziging stelt. Aan de werkgever komt immers een ruime vrijheid toe bij het bepalen hoe de organisatie wordt ingericht. Tijdens een gesprek met haar leidinggevende op 28 november 2011 heeft appellante, blijkens het verslag van dat gesprek, wederom meegedeeld dat zij haar functie niet in 28 uur aan kan en dat terugkeer in die functie voor appellante geen optie is. Vervolgens heeft de leidinggevende appellante meegedeeld dat zij wel vertrouwen erin heeft dat appellante de functie van [functie 2] in 28 uur per week kan verrichten. Op de vraag van de leidinggevende of appellante gelet op het in haar gestelde vertrouwen niet toch voor

28 uur per week in haar functie wilde gaan hervatten, heeft appellante blijkens het verslag van dat gesprek op 28 november 2011 geantwoord dat zij dat vanwege haar gezondheid niet meer aan kan. Blijkens dat verslag heeft de leidinggevende appellante ook voorgehouden dat als appellante niet wenst terug te keren naar haar functie in het uiterste geval sprake kan zijn van ontslag. Het was voor appellante dan ook voldoende duidelijk wat de gevolgen zouden kunnen zijn van haar keuze om niet terug te keren naar haar functie voor 28 uur. Dat appellante het verslag van dat gesprek van 28 november 2011 niet voor akkoord heeft getekend, betekent niet dat aan dat verslag geen betekenis kan worden toegekend. Het verslag is immers zowel per mail als per post aan appellante toegezonden en appellante heeft daarop niet kenbaar gemaakt dat het verslag een onjuiste weergave bevat van hetgeen is besproken op 28 november 2011. Op 29 november 2011 is appellante wederom uitgevallen wegens medische klachten. Nadien heeft zij haar functie niet meer verricht. Op 8 december 2011 heeft de bedrijfsarts meegedeeld dat terugkeer van appellante in haar eigen functie niet meer mogelijk is, omdat appellante er volledig van overtuigd is dat ze haar functie als [functie 2] niet op een goede manier kan uitvoeren in de uren die zij daarvoor ter beschikking heeft. Volgens de bedrijfsarts is appellante medisch wel in staat haar functie te verrichten. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat dit oordeel van de bedrijfsarts onjuist is.

3.1.10.

Nadat appellante bij besluit van 27 december 2011 was opgedragen tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten, heeft appellante zich wel bereid verklaard om haar eigen werk in 28 uur per week te hervatten. In het licht van de voorgeschiedenis overtuigt deze ongemotiveerde bereidverklaring niet. Het lijkt er meer op dat appellante op het laatste moment ‘eieren voor haar geld heeft gekozen’. Terecht heeft het college dan ook aan deze bereidverklaring geen betekenis toegekend. Gelet op de telkens afwijzende opstelling van appellante om haar functie in 28 uur te vervullen en het gebrek aan continuïteit in de aansturing van het team vanwege haar geregelde uitval tijdens de geleidelijke hervatting van de werkzaamheden tijdens het re-integratietraject, waarvan niet is gebleken dat daaraan een medisch substraat ten grondslag ligt, heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat er geen perspectief was op een adequate functievervulling door appellante in de toekomst. Ook in het feit dat appellante de haar tijdelijk opgedragen werkzaamheden van de functie van Projectleider Implementatie op goede wijze heeft verricht, heeft het college terecht geen aanleiding gezien appellante na afloop daarvan weer in de functie van [functie 2] voor 28 uur te laten hervatten. Het ging immers om andersoortige werkzaamheden dan de werkzaamheden van [functie 2].

3.1.11.

Het college heeft de opstelling van appellante terecht aangemerkt als het onvermogen om zich aan te passen aan de nieuwe organisatie en aan de nieuwe eisen van de functie als gevolg van de formatie-uitbreiding. Het college was dan ook bevoegd om appellante ontslag te verlenen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie van [functie 2], anders dan wegens ziekte of gebrek. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan het college in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van deze bevoegdheid.

3.1.12.

Appellante heeft betoogd dat het college naar willekeur heeft gekozen voor de ontslaggrond ongeschiktheid anders dan wegens ziekte of gebrek, in plaats van een reorganisatie-ontslag. Dat betoog slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

30 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1835) heeft het bestuursorgaan bij samenloop van ontslaggronden keuzevrijheid. Wel moet de gehanteerde ontslaggrond voldoende worden onderbouwd. Het college heeft gekozen voor ontslag op grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO en heeft deze ontslaggrond deugdelijk gemotiveerd. De vraag of een andere ontslaggrond had moeten worden aangewend staat derhalve niet ter beoordeling.

3.1.13.

Dat het college in het ontslagbesluit niet expliciet heeft vastgesteld dat het ontslag niet gelegen is in de omstandigheden binnen de werksfeer, betekent niet dat het ontslag daarom voor vernietiging in aanmerking komt, zoals appellante heeft betoogd, nu dit wel volgt uit de motivering van het ontslagbesluit.

3.1.14.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak 1 niet slaagt. Deze uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2

3.2.1.

Uit vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 6 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1754, volgt dat bij een ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid op grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO alleen recht op na-wettelijke uitkering bestaat als het ontslag is gelegen in de werksfeer en niet grotendeels te wijten is aan de werknemer.

3.2.2.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de na-wettelijke uitkering ten onrechte is geweigerd, aangezien het ontslag is gelegen in omstandigheden binnen de werksfeer. Volgens appellante kan de beëindiging van het dienstverband haar niet worden verweten omdat die beëindiging volledig op initiatief van het college heeft plaatsgevonden en appellante uitgebreid verweer heeft gevoerd tegen die beëindiging.

3.2.3.

Gelet op wat onder 3.1.3 tot en met 3.1.11 is overwogen, heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het ontslag van appellante niet gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer, maar grotendeels is te wijten aan appellante. Het college heeft daarom mogen besluiten geen na-wettelijke uitkering toe te kennen. Het oordeel van de rechtbank daarover is dan ook juist.

3.2.4.

Het hoger beroep van appellante tegen aangevallen uitspraak 2 slaagt evenmin. Deze uitspraak zal dus ook worden bevestigd.

3.3.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat ten slotte geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en

L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2015.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD