Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
24-07-2015
Zaaknummer
13-6737 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad ziet geen aanleiding het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van verzekeringsarts bezwaar en beroep Jansen-Bots voor onjuist te houden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze arts uiteindelijk een totale heroverweging heeft uitgevoerd, daarbij de beschikking had over alle in geding zijnde medische gegevens en dat zij op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan van haar bevindingen. Appellante heeft hetgeen zij in hoger beroep heeft aangevoerd niet met medische stukken nader onderbouwd. Hieruit volgt dat het Uwv op goede gronden heeft geweigerd de WAO-uitkering van appellante wegens hulpbehoevendheid te verhogen.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden bepaald op € 490,- voor rechtsbijstand in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6737 WAO

Datum uitspraak: 22 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

22 november 2013, 13/2172 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R.C. Vermeer, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Het Uwv heeft appellante voor een nieuwe hoorzitting uitgenodigd. Het Uwv heeft een verslag van deze hoorzitting en een rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep J.G.E. Jansen-Bots verstrekt. Op deze stukken heeft appellante bij brief van 6 mei 2015 een reactie gegeven.
Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontvangt sinds 23 september 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Appellante heeft op 25 augustus 2012 het Uwv verzocht om haar, in verband met hulpbehoevendheid, in aanmerking te brengen voor een verhoging van haar uitkering op grond van artikel 22 van de WAO. Bij besluit van 27 november 2012 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat uit het onderzoek van een verzekeringsarts is gebleken dat, hoewel sprake is van geregelde verzorging, geen sprake is van geregelde oppassing, zodat appellante niet in aanmerking komt voor een verhoging van de uitkering wegens hulpbehoevendheid.

1.3.

Het tegen het besluit van 27 november 2012 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 19 maart 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Op grond van een herbeoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv het standpunt in genomen dat geen sprake is van een medische noodzaak tot geregelde oppassing en verzorging.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 22 van de WAO en de daarop gebaseerde Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid van 23 oktober 2007, Stcrt. 2007, 241 (Beleidsregel), heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft besloten dat appellante niet zodanig hulpbehoevend is dat zij in aanmerking komt voor verhoging voor haar WAO-uitkering.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zeer onzorgvuldig tot stand is gekomen. Deze onzorgvuldigheid blijkt volgens appellante onder meer uit het feit dat, ondanks de gemaakte afspraken tijdens de zitting van de rechtbank, ten onrechte geen tweede hoorzitting heeft plaatsgevonden. De reden voor verhoging van de uitkering is volgens appellante gelegen in de combinatie van haar klachten wegens polyartrose, fibromyalgie en LOK als gevolg van chronische PTSS. Dit maakt bewegen een hopeloze zaak. Ter onderbouwing heeft appellante een brief van een reumatoloog van 27 februari 2014 overgelegd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Allereerst wordt vastgesteld dat partijen tijdens de behandeling ter zitting van de rechtbank op 6 augustus 2013 afspraken hebben gemaakt met betrekking tot het houden van een nieuwe hoorzitting. In het licht van deze afspraken is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het Uwv niet had mogen volstaan met het overleggen van een rapport van stafverzekeringsarts bezwaar en beroep O.J. van Kempen van 22 augustus 2013. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in dit rapport, zonder enige onderbouwing, alleen te kennen is gegeven dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep B.C. Bockwinkel wordt onderschreven. Daarom zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep van appellante gegrond verklaren en ook het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen.

4.2.

Teneinde tot een finale beslechting van het geschil te komen, zal de Raad bezien of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
4.3. In artikel 22 van de WAO is bepaald dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt verhoogd tot ten hoogste 100/108 maal het dagloon of het vervolgdagloon, indien de betrokkene in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid verkeert, die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt.

4.4.

In het kader van de uitvoering van dit artikel hanteert het Uwv de onder 2 genoemde Beleidsregel. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregel wordt de uitkering verhoogd tot 100% van het dagloon of het vervolgdagloon, indien de verzekerde hulp nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel wordt de uitkering verhoogd tot 85% van het dagloon of het vervolgdagloon, indien de verzekerde hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn. De Raad heeft al eerder geoordeeld - zie de uitspraak van
22 december 2010, ECLI:CRVB:2010:BO9525 - dat de Beleidsregel de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

4.5.

Op 9 april 2015 heeft een tweede hoorzitting plaatsgevonden. Aansluitend heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Jansen-Bots appellante gesproken en onderzocht. Deze arts heeft in het rapport van 13 april 2015 te kennen gegeven dat de informatie van de reumatoloog uit 2009 en 2014 geen medische verklaring biedt voor het ervaren onvermogen van appellante. Er is fibromyalgie vastgesteld, waarbij het lichamelijk onderzoek geen aanwijzingen gaf voor neurologische problematiek. De in 2014 vastgestelde artrose kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen belemmering vormen voor appellante om haar rolstoel zelf voort te bewegen. Zowel bij artrose als fibromyalgie is het juist, conform het advies van de reumatoloog uit 2009, aangewezen om in beweging te blijven. De ADL-activiteiten vormen daarbij een geringe belasting, die ook bij de aanwezige de-conditionering mogelijk te achten is. Ten slotte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van de psychische problematiek vermeld dat de aanwezigheid van een chronisch pijnsyndroom, dan wel een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, dan wel fibromyalgie, het door appellante geclaimde ernstige lichamelijke onvermogen niet kan verklaren. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat appellante in de afgelopen jaren geen intensieve behandeling voor de psychische problematiek heeft ondergaan. Ook bij het eigen onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een ernstige PTSS, nu onder meer geen sprake is van vermijding van het praten over of het denken aan de traumatische gebeurtenissen. Overigens leidt PTSS niet tot beperkingen van de motoriek, maar vooral tot problemen in het sociaal functioneren. Op grond van deze bevindingen is de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat geen noodzaak bestaat tot min of meer continue oppassing dan wel geregelde handreikingen door derden. Ook is geen sprake van een medisch toestandsbeeld waaruit te verklaren valt dat hulp nodig is bij (nagenoeg) alle of sommige, essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen.

4.6.

De Raad ziet geen aanleiding het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van verzekeringsarts bezwaar en beroep Jansen-Bots voor onjuist te houden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze arts uiteindelijk een totale heroverweging heeft uitgevoerd, daarbij de beschikking had over alle in geding zijnde medische gegevens en dat zij op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan van haar bevindingen. Appellante heeft hetgeen zij in hoger beroep heeft aangevoerd niet met medische stukken nader onderbouwd. Hieruit volgt dat het Uwv op goede gronden heeft geweigerd de WAO-uitkering van appellante wegens hulpbehoevendheid te verhogen.
5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden bepaald op € 490,- voor rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 maart 2013;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 490,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van
€ 162,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2015.

(getekend) M. Greebe

(getekend) I. Mehagnoul

AP