Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2411

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
13-5824 WW-W3
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing wrakingsverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/5824 WW-W3

Datum uitspraak: 17 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

19 september 2013, 12/1605 in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bij brief van 4 maart 2015 is verzoeker geïnformeerd dat zijn hoger beroep op 2 april 2015 ter zitting zal worden behandeld en is hij uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn.

Bij brieven van 22 maart 2015 heeft verzoeker verzocht de behandeling van zijn hoger beroep uit te stellen en die behandeling op een later tijdstip te laten plaatsvinden tegelijk met de behandeling van de bij de Raad aanhangige hoger beroepen van verzoeker die zijn geregistreerd onder de nummers 15/330 WWB, 15/1111 WW, 15/1230 WIA en 15/1247 ZW.

Bij brief van 23 maart 2015 heeft de griffier aan verzoeker meegedeeld dat de Raad uit de brief van verzoeker niet heeft kunnen afleiden dat sprake is van gewichtige redenen voor uitstel van de behandeling van het hoger beroep en dat daarom geen termen aanwezig worden geacht om dat verzoek in te willigen.

Bij brief van 25 maart 2015 heeft de griffier aan verzoeker meegedeeld dat de Raad het verzoek om gevoegde behandeling met andere zaken van verzoeker afwijst.

In reactie hierop heeft verzoeker bij brief van 27 maart 2015 verzocht om wraking van de behandelend rechter mr. B.M. van Dun.

Op 30 maart 2015 heeft verzoeker nadere stukken ingezonden.

Mr. Van Dun heeft op 2 april 2015 schriftelijk op het verzoek gereageerd, meegedeeld dat zij niet in de wraking berust en dat zij de behandeling van het verzoek ter zitting niet zal bijwonen.

Op 8 april 2015, 9 april 2015 en 22 april 2015 heeft verzoeker opnieuw nadere stukken ingediend, gereageerd op de schriftelijke reactie van mr. Van Dun, een verzoek om schadevergoeding ingediend en een verzoek om wraking van mr. dr. E.J.M. Heijs, lid van de wrakingskamer, ingediend.

Het verzoek om wraking van mr.dr. Heijs is bij mondelinge uitspraak van

22 april 2015 afgewezen, waarna vervolgens op diezelfde datum de behandeling van het verzoek om wraking van mr. Van Dun heeft plaatsgevonden. Verzoeker is verschenen.

Mr. Van Dun is, zoals aangekondigd, niet verschenen.

Bij brief van 24 april 2015 is aan verzoeker meegedeeld dat op zijn verzoek uitspraak zou worden gedaan op 29 april 2015.

Op 28 april 2015 heeft verzoeker de rechters van de wrakingskamer

mr. drs. W.H. Bel, mr. dr. E.J.M. Heijs en mr. J.F. Bandringa gewraakt.

De gewraakte rechters zijn in de gelegenheid gesteld op het verzoek om wraking te reageren. Zij hebben allen van die gelegenheid gebruikt gemaakt, respectievelijk bij ongedateerde brief, ontvangen op 30 april 2015, en bij brief van 6 mei 2015 en bij brief van 11 mei 2015. Zij hebben daarbij meegedeeld niet de in wraking te berusten.

Verzoeker en mr. drs. Bel, mr. dr. Heijs en mr. Bandringa zijn voorts in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad op 8 juni 2015. De gewraakte rechters hebben te kennen gegeven van deze gelegenheid geen gebruik te zullen maken. Verzoeker is wel ter zitting verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

1.2.

Ingevolge artikel 8:16, eerste lid, van de Awb wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover hier van belang, geschiedt het verzoek schriftelijk en is het gemotiveerd. Het derde lid van het artikel bepaalt dat alle feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen.

2. Ter zitting heeft verzoeker de behandelende wrakingskamer gewraakt. Gelet op de (mondelinge) uitspraak van 8 juni 2015 in de wraking van mr. Brand, waarin is vastgesteld dat verzoeker misbruik maakt van het rechtsmiddel wraking en dat om die reden een volgend verzoek om wraking in dit hoger beroep niet in behandeling zal worden genomen, is dat verzoek buiten behandeling gelaten.

3.1.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt; het wrakingsverzoek dient het betrokken lid of de betrokken leden van het rechterlijk college en niet het rechterlijk college als zodanig te betreffen.

Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2.

Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking van mr. drs. Bel, mr. dr. Heijs en mr. Bandringa ten grondslag gelegd dat hij van de behandelend kamer niet een uitspraak heeft ontvangen op zijn verzoek om wraking van mr. dr. Heijs. Hij heeft daarbij (opnieuw) aangevoerd dat mr. dr. Heijs bij een eerdere afwijzing van een wrakingsverzoek betrokken is geweest en dat deze om die reden niet van de wrakingskamer deel zou mogen uitmaken. Ook heeft hij naar voren gebracht dat sprake is van saamhorigheid tussen rechters en dat een onpartijdige behandeling van zijn verzoeken reeds daarom niet mogelijk is. Naderhand, bij brieven van 29 april 2015, 21 mei 2015, 22 mei 2015, 29 mei 2015 en 7 juni 2015, heeft verzoeker mede aan de hand van kennelijk in de Poolse taal gestelde stukken betoogd dat het Nederlandse systeem van bestuursrechtspraak in vergelijking met het Poolse systeem ondemocratisch is en diverse onvolkomenheden in zich bergt. Hij heeft zich er in dit verband ook over beklaagd dat hij niet kan controleren of het proces-verbaal van de zitting een correcte weergave van het verhandelde is, dat slechts de voorzitter van de meervoudige kamer, en niet de andere rechters, de uitspraak heeft ondertekend, en dat de door de gewraakte rechters ingediende reacties niet alle aan de gestelde eisen voldoen.

4.1.

Het verzoek om wraking van mr. dr. Heijs is door een wrakingskamer beoordeeld en dat verzoek is bij mondelinge uitspraak van 22 april 2015 afgewezen. Dat geen uitspraak is gedaan, zoals verzoeker stelt, is dus feitelijk niet juist. Dat verzoeker ten tijde van de indiening van zijn verzoek op 28 april 2015 nog geen proces-verbaal van die mondelinge uitspraak had ontvangen, maakt dat niet anders. Overigens kan worden vastgesteld dat deze wrakingsgrond geen betrekking kan hebben op de rechters die nu zijn gewraakt, omdat deze procedure slechts betrekking heeft op de kamer die de wraking van mr. Van Dun heeft behandeld en niet op de kamer die de wraking van mr. dr. Heijs heeft behandeld. In zoverre is er voor toewijzing van het verzoek geen plaats.

4.2.

De Raad begrijpt de grond dat tussen de raadsheren sprake is van saamhorigheid aldus dat verzoeker meent dat reeds geen onafhankelijk oordeel kan worden gegeven op een wrakingsverzoek, omdat de oordelende rechters bij hetzelfde college werken als de gewraakte rechters. Deze grond raakt alle rechters van de Raad en ziet niet op het functioneren, voor zover in het licht van artikel 8:15 van de Awb in deze wrakingsprocedure van belang, van een individuele rechter die betrokken is bij de behandeling van een zaak van verzoeker. Voorts raakt deze grond, voor zover deze moet worden geacht (mede) te betreffen de interne organisatie van de Raad, evenmin de onpartijdigheid van de persoon van de rechter. Ook op deze grond kan het verzoek daarom niet worden toegewezen.

4.3.

Bij brieven van 29 april 2015, 21 mei 2015, 22 mei 2015, 29 mei 2015 en 7 juni 2015 heeft verzoeker zijn verzoek niet alleen nader gemotiveerd, maar ook aangevuld. Wat verzoeker heeft aangevoerd, voor zover dat niet te duiden is als nadere motivering van wat hij reeds eerder naar voren heeft gebracht, moet, wat verder ook van die gronden zij, wegens strijd met het bepaalde in artikel 8:16, derde lid, van de Awb, bij de beoordeling van dit verzoek buiten beschouwing blijven.

4.4.1.

In de brief van 28 april 2015 waarin verzoeker zijn wrakingsverzoek doet is - ook - het verzoek opgenomen om toezending van een afschrift van het proces-verbaal van de zitting van de wrakingskamer van 22 april 2015. Daarnaast heeft verzoeker - op voorhand - verzocht om toezending van het proces-verbaal van de zitting waarop het onderhavige verzoek zou worden behandeld.

4.4.2.

Ter voorlichting van verzoeker wordt erop gewezen dat aan deze verzoeken binnen deze procedure geen gehoor kan worden gegeven. Het is, gelet op artikel 8:61, derde lid, van de Awb aan de voorzitter van de behandelende kamer om te beslissen of een proces-verbaal van de zitting wordt opgemaakt. Na de behandeling ter zitting kan een verzoek om opmaking van een proces-verbaal worden ingediend door een partij die daar belang bij heeft. Ook is het mogelijk dat de voorzitter ambtshalve bepaalt dat een proces-verbaal wordt opgemaakt. Indien een proces-verbaal wordt opgemaakt, wordt dit aan partijen toegezonden.

Verzoeker wordt er tevens op gewezen dat juist het door hem tegen mr.dr. Bel ingediende wrakingsverzoek ertoe heeft geleid dat deze als voorzitter van de wrakingskamer nog niet heeft kunnen beslissen op het verzoek om een proces-verbaal op te maken.

5. Nu het verzoek wordt afgewezen is er voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking van mr. drs. W.H. Bel,

mr. dr. E.J.M. Heijs en mr. J.F. Bandringa af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2015.

(getekend) J. Brand

(getekend) S. Aaliouli

UM