Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2407

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
14-1545 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. Toereikende grondslag. Wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1545 WWB

Datum uitspraak: 21 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

19 februari 2014, 13/6107 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. Boomstra hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boomstra. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 december 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante woont aan [het uitkeringsadres] in [woonplaats] (uitkeringsadres). Op het uitkeringsadres stond sinds 4 september 2006 tevens ingeschreven [O.] (O). O huurde daar een kamer.

1.2.

Omdat appellante op 14 november 2012 aan het college had doorgegeven dat zij met haar medebewoner zou gaan samenwonen, heeft het college de bijstand per die datum ingetrokken. Appellante heeft vervolgens een nieuwe aanvraag gedaan, maar bij de beslissing op het bezwaar tegen de intrekking heeft het college de intrekking van de bijstand ongedaan gemaakt. Omdat uit het reeds aangevangen onderzoek naar aanleiding van de nieuwe aanvraag bijzonderheden naar voren waren gekomen, heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een regulier onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Daartoe heeft DWI dossieronderzoek gedaan, diverse instanties en internet geraadpleegd, bankafschriften bestudeerd, appellante diverse malen gehoord en een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 juni 2013.

1.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 15 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 oktober 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 14 maart 2011. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante met O een gezamenlijke huishouding voert.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij de Volkswagen Caddy (Caddy) op haar naam heeft gezet om zo sneller een parkeervergunning voor O te verkrijgen. Daarom stond ook de verzekering op naam van appellante. De bedragen die zij van O ontving betroffen leningen. Zij heeft deze bedragen altijd weer teruggestort op de rekening van O. De televisie in de woonkamer is van O. Als appellante niet thuis was, mocht O gebruik maken van de woonkamer en soms ontving hij daar zijn dochter. Dat O gebruik maakte van de keuken en de wasmachine duidt niet op wederzijdse zorg, want hij deed de was voor zichzelf en kookte voor zichzelf. De grenzen van een commerciële verhuurder/huurderrelatie zijn niet overschreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 14 maart 2011 tot en met 15 juli 2013.

4.2.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Bij de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid dan wel de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. Niet in geschil is dat appellante en O gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in de woning aan het uitkeringsadres hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijk huishouding is voldaan.

4.3.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.4.

Anders dan appellante meent, bieden de gedingstukken toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat in de te beoordelen periode sprake is van wederzijdse zorg tussen appellante en O. Niet in geschil is dat O aan appellante naast de huur ook geregeld andere bedragen overmaakte. Dat appellante ook weer bedragen terugstortte, omdat het om leningen zou gaan, is niet van belang. Op grond hiervan was immers sprake van een financiële verstrengeling die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten.

4.5.

Op 14 maart 2011 is de Caddy op naam van appellante gekomen teneinde sneller een parkeervergunning voor O te kunnen regelen. Appellante heeft om die reden ook de verzekering van de Caddy op haar naam afgesloten en betaald. Verder heeft appellante de wegenbelasting betaald en de kosten voor de parkeervergunning. Deze kosten stelt appellante te hebben teruggekregen van de vader van O. Nog afgezien van het feit dat zij dit niet heeft onderbouwd, laat dit onverlet dat appellante op deze wijze hulp heeft geboden aan O en verantwoordelijkheid voor hem heeft genomen die verder gaat dan in een zakelijke relatie gebruikelijk is. Dit klemt temeer nu appellante ook boetes heeft betaald met betrekking tot de Caddy.

4.6.

Ten slotte is niet in geschil dat O de woonkamer mocht gebruiken als appellante niet thuis was, aldaar zijn televisie had en daar af en toe zijn dochter ontving. Ook deze omstandigheid wijst op wederzijdse zorg die de grens van wat bij een louter zakelijke overeenkomst tussen personen gebruikelijk is, te boven gaat.

4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C.A.W. Zijlstra

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD