Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2399

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
14-1554 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:1267, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een bril. Voorliggende voorziening. De kosten van een bril behoren tot de kosten van medische zorg en de wetgever heeft een bewuste keuze gemaakt om deze kosten niet op grond van de Zvw te vergoeden. Geen sprake van schending hoorplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1554 WWB

Datum uitspraak: 21 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2014, 13/5373 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.E. Braak

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 27 april 2013 bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de kosten van een bril tot een bedrag van € 522,-.

1.2.

Bij besluit van 18 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juli 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de WWB in de weg staat aan toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat weergegeven - overwogen dat voor de kosten van medische zorg de Zorgverzekeringswet (Zvw) in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening dient te worden beschouwd. Gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, onder b, van de Zvw, in samenhang met artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit zorgverzekering en artikel 2.13 van de Regeling zorgverzekering, bestaat geen aanspraak op vergoeding van brillenglazen en brillenmonturen. Hiermee heeft de wetgever een bewuste keus gemaakt om de kosten hiervan niet te vergoeden binnen de basiszorgverzekering. Dat de aanvullende verzekering van appellant de kosten slechts deels vergoedt, betekent niet dat het college hem hierin tegemoet dient te komen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het college overeenkomstig artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld door appellant een brief met een antwoordstrookje te sturen met het verzoek dit terug te sturen als appellant wil worden gehoord. Appellant heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Het college heeft dus in redelijkheid kunnen afzien van het horen van appellant.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat de kosten van een bril behoren tot de kosten van medische zorg en dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om deze kosten niet op grond van de Zvw te vergoeden. Dit betekent dat er voor het college in beginsel geen ruimte is om bijzondere bijstand voor de voor eigen rekening blijvende kosten van de bril van appellant te verstrekken. Het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB staat hieraan in de weg. Aan de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de WWB wordt dan niet toegekomen. Wat appellant in hoger beroep op dit punt heeft aangevoerd, komt neer op een herhaling van wat hij in eerste aanleg heeft aangevoerd, en leidt niet tot een ander oordeel.

4.2.

De beroepsgrond van appellant dat het college de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb heeft geschonden, slaagt niet. Appellant heeft niet ontkend dat hij de brief van 25 juni 2013 en het daarbij toegezonden antwoordstrookje voor een hoorzitting heeft ontvangen. In deze brief is duidelijk kenbaar gemaakt dat indien appellant gehoord wil worden, hij het bijgevoegde antwoordstrookje binnen veertien dagen moet opsturen. Daarbij heeft het college tevens kenbaar gemaakt dat, indien het antwoordstrookje niet binnen veertien dagen is opgestuurd, appellant niet in de gelegenheid wordt gesteld het bezwaar mondeling toe te lichten. Appellant heeft het antwoordstrookje niet verstuurd. Onder deze omstandigheden bestond voor het college geen aanleiding om appellant, zoals hij ter zitting heeft bepleit, opnieuw een termijn te geven waarbinnen hij kon aangeven dat hij gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.F. Bandringa en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C. Moustaïne

HD