Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2398

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
14-6792 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9933, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van de WWB (uitsluitingsgrond jongeren). Appellante start in september 2014 niet met de beoogde opleiding vanwege (plotseling opkomende) remigratieplannen. Die plannen waren echter niet concreet genoeg.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/286
RSV 2015/184

Uitspraak

14/6792 WWB

Datum uitspraak: 21 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 9 december 2014, 14/7759 en 14/8217 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.H. van Tongerlo, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Tongerlo. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N.B.M. Fels.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren [in] 1989, ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 3 april 2014 heeft de werkconsulent van appellante een plan van aanpak opgesteld. Daarin is opgenomen dat appellante zich inschrijft voor vier verschillende

opleidingen op twee scholen met startdata september 2014 en dat zij studiefinanciering gaat aanvragen en kinderopvang voor haar kinderen regelt. Appellante heeft het plan van aanpak ondertekend. Zij heeft zich begin april 2014 aangemeld voor twee opleidingen bij het [naam college] te [plaatsnaam].

1.2.

Appellante is van eind april 2014 tot en met eind mei 2014 op Bonaire op vakantie geweest. In verband met het niet bijwonen van twee scholingsbijeenkomsten tijdens haar vakantie, heeft de werkconsulent appellante er bij brief van 4 juni 2014, onder verwijzing naar artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB, op gewezen dat, als zij een opleiding kan volgen en daarmee recht heeft op studiefinanciering, zij daarvan ook gebruik moet maken, dat zij dan geen recht meer heeft op bijstand en dat dit betekent dat haar bijstand per

1 september 2014 wordt beëindigd, of eerder, aansluitend op de ingangsdatum van de studiefinanciering. Tijdens een gesprek met haar werkconsulent op 17 juli 2014 heeft appellante verklaard dat zij van plan is om voorgoed terug te gaan naar Bonaire, maar dat de datum nog niet vaststaat. De werkconsulent heeft appellante er bij die gelegenheid (nogmaals) op gewezen dat de scholingsplicht van kracht blijft en dat ze, overeenkomstig genoemde bepaling, vanaf september 2014 geen recht op bijstand meer heeft.

1.3.

Appellante is in september 2014 niet gestart met één van de opleidingen waarvoor zij zich had aangemeld. De plannen om te remigreren naar Bonaire heeft zij niet doorgezet.

1.4.

Bij besluit van 9 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 november 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 1 september 2014 op de grond dat appellante met ingang van die datum uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kon volgen. De plannen van appellante om te remigreren waren nog niet zo vergevorderd of vaststaand dat zij eind september 2014 zonder problemen kon besluiten om niet te remigreren. Onder die omstandigheden had zonder meer van appellante kunnen worden verwacht ervoor te zorgen dat de aanmeldingen zouden worden omgezet in een toelating, zodat zij per 1 september 2014 met een opleiding had kunnen starten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het haar niet te verwijten valt dat zij niet per 1 september 2014 is gestart met één van de opleidingen waarvoor zij zich in april 2014 had aangemeld. Zij heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. Tijdens haar vakantie op Bonaire bleek dat haar vader verslaafd was aan harddrugs en dat snel ingrijpen van familie noodzakelijk was. Appellante besloot toen meteen om te gaan remigreren. Haar remigratieplannen waren voldoende concreet. Zij is gaan solliciteren naar werk op Bonaire. Ook heeft zij de school van haar oudste kind bericht dat dit kind de school op 22 oktober 2014 zal verlaten in verband met vertrek naar Bonaire en heeft zij haar taak als overblijfmoeder opgezegd. Uiteindelijk heeft appellante, in overleg met haar broer, die op Bonaire woont, besloten dat haar broer voor hun vader zal gaan zorgen. Vervolgens heeft appellante zich direct weer aangemeld voor een aantal opleidingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode van loopt in dit geval van 1 september 2014 tot en met

9 oktober 2014.

4.2.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB heeft geen recht op algemene bijstand degene die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bezoldigd onderwijs kan volgen en:

1º in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel

2º in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor appellante de mogelijkheid bestond om met ingang van 1 september 2014 uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen in verband waarmee zij aanspraak kon maken op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of appellante, gelet op haar remigratieplannen, er in redelijkheid vanaf heeft kunnen zien om dit onderwijs te gaan volgen en, in samenhang hiermee, om studiefinanciering aan te vragen.

4.4.1.

Evenals de rechtbank en het college beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend. Anders dan appellante heeft gesteld, waren haar remigratieplannen niet zo concreet en vergevorderd dat van haar in redelijkheid niet kon worden verlangd onderwijs te gaan volgen en in verband daarmee studiefinanciering aan te vragen. Zo had appellante nog geen concreet zicht op woonruimte en inkomen op Bonaire en had zij het transport van haar goederen naar Bonaire nog niet geregeld. Bovendien bleek al na korte tijd dat de noodzaak om naar Bonaire te remigreren was komen te vervallen, omdat een broer van appellante de zorg voor hun vader op zich kon en wilde nemen.

4.4.2.

Appellante heeft er - eerst ter zitting van de Raad - op gewezen dat zij eerst bij haar vader had kunnen gaan inwonen en dat zij in Nederland spaarde om de eerste tijd op Bonaire in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Ook heeft appellante gewezen op haar sollicitaties op functies op Bonaire, op haar onder 3 vermelde bericht aan de school van haar oudste kind en heeft zij gesteld de winterkleding van haarzelf en van haar kinderen al naar Het Goed te hebben gebracht. Dit is echter, gelet op wat hiervoor is overwogen over woonruimte en inkomen op en transport naar Bonaire, onvoldoende om aan te nemen dat de remigratieplannen van appellante in augustus 2014 al in zodanige mate waren geconcretiseerd dat van appellante in redelijkheid niet kon worden gevergd om vanaf september 2014 onderwijs te gaan volgen en in verband daarmee studiefinanciering aan te vragen. Appellante heeft echter geen actie in die richting ondernomen terwijl zij wist dat zij per 1 september 2014 onderwijs moest gaan volgen, studiefinanciering moest aanvragen en geen recht op bijstand meer had.

4.4.3.

Dat appellante zich in september 2014 weer voor een aantal opleidingen heeft aangemeld, doet er niet aan af dat zij in de te beoordelen periode uit ’s Rijks kas bezoldigd onderwijs had kunnen volgen en in verband daarmee aanspraak zou hebben gehad op studiefinanciering. Dit betekent, gelet op artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, ten eerste, van de WWB, dat appellante in die periode geen recht op bijstand had en dat het college de bijstand van appellante dus terecht per 1 september 2014 heeft ingetrokken.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.F. Bandringa en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2015.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) C. Moustaïne

HD