Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2397

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
13-6251 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:4090) heeft de staatssecretaris nadere besluit genomen, waarbij opnieuw de incidentele aanvullende uitkering (IAU) is geweigerd. De staatssecretaris heeft daaraan een aanvullend advies van de TC van 19 januari 2015 ten grondslag gelegd. De TC heeft in zijn aanvullende advies alsnog in toereikende mate onderbouwd waarom geen sprake is van een bijzondere inzet van appellant op de onderdelen bevordering van de uitstroom, beperking van de instroom en handhaving. Niet is gebleken van redenen waarom de staatssecretaris zich niet op het aanvullende advies van de TC zou mogen verlaten. Het beroep tegen het nadere besluit zal daarom ongegrond worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/164

Uitspraak

13/6251 WWB, 15/2130 WWB

Datum uitspraak: 21 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 oktober 2013, 13/1166 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht (appellant)

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Bij tussenuitspraak van 9 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4090, heeft de Raad de staatssecretaris opgedragen om het geconstateerde gebrek in het besluit van 8 januari 2013 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de staatssecretaris op 29 januari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar (nadere besluit) genomen.

Appellant heeft bij brief van 5 maart 2015 zijn zienswijze gegeven op het nadere besluit. De staatssecretaris heeft bij brief van 22 mei 2015 op de zienswijze van appellant gereageerd.

Op 8 juni 2015 heeft opnieuw een onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. K. Verheije en J.K. Petersen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.E. Sipos en drs. E. Helderman. Voorts was aanwezig prof. mr. drs. S. Zouridis, lid van de Toetsingscommissie aanvullende uitkeringen Participatiewet, voorheen Toetsingscommissie WWB (TC).

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en de tussenuitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

2. Bij beslissing op bezwaar van 8 januari 2013 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het besluit van 23 december 2011 gehandhaafd, waarbij het verzoek van appellant voor een incidentele aanvullende uitkering (IAU) als bedoeld in artikel 74 van de Wet werk en bijstand over 2010 is afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd en heeft de Raad de staatssecretaris opgedragen om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De Raad heeft daartoe overwogen dat de motivering van het advies van de TC van 15 december 2011, waarop de staatssecretaris het bestreden besluit heeft gebaseerd, niet inzichtelijk maakt waarom de inspanningen die appellant in 2010 heeft verricht op het gebied van uitstroombevordering en handhaving niet voldoende zijn en waarom de extra aandacht die in dit verband aan jongeren is besteed niet van belang wordt geacht.

4. De staatssecretaris heeft bij het nadere besluit het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard. De staatssecretaris heeft daaraan een aanvullend advies van de TC van 19 januari 2015 ten grondslag gelegd. De TC heeft daarin haar eerdere conclusie gehandhaafd dat appellant in 2010 geen zodanig bijzondere dan wel extra inspanningen op het gebied van uitstroombevordering, preventie van instroom in de bijstand en handhaving heeft verricht dat toepassing van de hardheidsclausule en daarmee toekenning van de IAU over 2010 aan appellant gerechtvaardigd is.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen uitspraak

5.1.

Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het nadere besluit

5.2.

Het nadere besluit wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

5.3.

De TC benadrukt in het aanvullende advies dat uit de gemeentelijke analyse van beleid en uitvoering moet blijken dat sprake is van een bijzondere inzet van de gemeente op de volgende drie onderdelen van beleid en uitvoering: bevordering van de uitstroom uit de bijstand, beperking van de instroom in de bijstand en handhaving. Volgens de TC heeft appellant bij de aanvraag volstaan met een algemene uiteenzetting over zijn beleid en uitvoering op deze drie onderdelen, zonder daarbij een cijfermatige onderbouwing te geven waaruit kan worden afgeleid wat de resultaten daarvan zijn geweest.

5.4.

Appellant heeft zich in zijn zienswijze op het nadere besluit en het aanvullende advies van de TC afgevraagd waarom sprake zou moeten zijn van bijzondere inspanningen in 2010 om in aanmerking te komen voor een IAU. Voorts heeft appellant zich afgevraagd of de TC wel naar alle aanwezige informatie heeft gekeken. Het gaat daarbij volgens appellant niet alleen om de bij de aanvraag verstrekte informatie, maar ook om de nadere toelichting die appellant heeft verstrekt in reactie op de vragen van de TC in de brieven van 10 augustus 2011 en 13 oktober 2011 en in bezwaar en beroep. Voor zover bij de TC nog onduidelijkheid bestond, had zij kunnen verzoeken om een aantal zaken verder toe te lichten.

5.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1272, heeft de beoordeling van beleid en uitvoering door de TC zoals hier aan de orde het karakter van een hardheidsclausule, waaruit volgt dat uit de rapportage van appellant duidelijk, en met cijfers onderbouwd, dient te blijken dat sprake is van een bijzondere inzet om de kosten van bijstand te beperken. Het gaat dus niet alleen om een rechtmatige uitvoering. De TC vergelijkt de door appellant genoemde bijzondere inspanningen met die van andere gemeenten. De TC stelt alleen aanvullende vragen als de bij de aanvraag verstrekte gegevens op verschillende manieren kunnen worden geïnterpreteerd of onduidelijk zijn. Het is niet de bedoeling om door middel van aanvullende vragen een reparatiemiddel te bieden bij een onvolledige aanvraag. De beroepsgrond van appellant dat de TC nadere vragen had moeten stellen als zij de uiteenzetting over het beleid en de uitvoering niet voldoende vond, slaagt daarom niet. Voorts is de Raad niet gebleken dat de TC in haar aanvullende advies geen rekening heeft gehouden met de nadere informatie die appellant in reactie op de vragen van de TC en in bezwaar en beroep heeft verstrekt.

5.6.1.

Appellant heeft zich in 2010 bijzonder ingezet om de uitstroom van jongeren uit de bijstand te bevorderen. Deze groep had in 2010 een instroom van 41,5%. Appellant is erin geslaagd om een groot deel van deze jongeren nog in hetzelfde jaar weer te laten uitstromen. Desgevraagd heeft de TC nader uiteengezet waarom de bijzondere inzet ten aanzien van jongeren niet voldoende was om voor een IAU in aanmerking te komen. De TC heeft opgemerkt dat appellant niet duidelijk heeft gemaakt wat het beleid was ten aanzien van de verschillende categorieën in het klantenbestand en welke middelen daadwerkelijk zijn ingezet om ook bij de andere categorieën de uitstroom te bevorderen. Zo is ten aanzien van personen die langdurig in de bijstand zitten alleen verwezen naar het aanbieden van vrijwilligerswerk. Voorts achtte de TC opmerkelijk dat een grote groep bijstandsgerechtigden - te weten 72 personen, wat een derde deel is van het klantenbestand van appellants gemeente tot 65 jaar - in een zogeheten ‘rusttraject’ was geplaatst. Dit is een soort informele ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Van een echte herbeoordeling was voor deze groep in 2010 geen sprake. De conclusie van de TC dat in 2010 per saldo niet is gebleken van voldoende bijzondere activiteiten op het onderdeel uitstroom is hiermee toereikend gemotiveerd.

5.6.2.

Volgens appellant volgt de TC geen bestendige gedragslijn omdat zij bij de gemeente Valkenswaard wel positief heeft geadviseerd vanwege de focus op de groep jongeren. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel. De TC heeft terecht opgemerkt dat in Valkenswaard sprake was van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt terwijl dat in Woensdrecht niet het geval was. Van een vergelijkbare situatie is daarom geen sprake.

5.7.

De TC heeft voorts geconcludeerd dat ook op het onderdeel instroom niet is gebleken dat appellant in 2010 bijzondere inspanningen heeft verricht. De preventie van de instroom lijkt pas in 2011 verder te zijn aangepakt en dat heeft toen geleid tot een sterke vermindering van de instroom. De TC ziet die extra inspanningen over 2010 niet. Appellant heeft er weliswaar op gewezen dat in 2010, net als in 2011, de re-integratieconsulent ook al bij de aanvraag werd betrokken, maar de TC heeft er in dat kader terecht op gewezen dat appellant bij zijn aanvraag voor een IAU over het jaar 2011 heeft vermeld dat de re-integratieconsulent, in tegenstelling tot eerdere jaren, direct bij de poort (aanvraag levensonderhoud) werd betrokken om snel te kunnen reageren met betrekking tot arbeidsparticipatie. In 2010 was van betrokkenheid van de re-integratieconsulent bij de aanvraag dus nog geen sprake. De conclusie van de TC dat in 2010 in zoverre niet is gebleken van bijzondere activiteiten op het onderdeel instroom is hiermee voldoende gemotiveerd.

5.8.1.

Volgens appellant is in 2010 veel aandacht besteed aan handhaving. De TC zag echter in de door appellant gegeven analyse geen melding van extra inspanningen waardoor de gemeente Woensdrecht zich op het gebied van de handhaving positief onderscheidt van andere gemeenten. Appellant heeft gewezen op een aantal algemeen geformuleerde doelstellingen. Bij de genoemde activiteiten op het gebied van handhaving, zoals het inzetten van consulenten en het raadplegen van het Suwi-netwerk, gaat het om standaardactiviteiten. Ook heeft appellant geen inzicht gegeven in welke resultaten op het terrein van handhaving zijn gerealiseerd. Uit de analyse van appellant blijkt niet op welke momenten klanten, anders dan bij de aanvraag van de uitkering, persoonlijk worden aangesproken op gemaakte afspraken en op hun verplichtingen. Appellant heeft hier tegenin gebracht dat met de door hem ingezette actie “Zichtbaar”, waarbij met meerdere actoren is ingezoomd op de handhaving, aansprekende resultaten zijn behaald voor wat betreft sociale zekerheidsfraude. Voorts heeft appellant erop gewezen dat door de inzet van re-integratieconsulenten, die eens per twee weken groepsbijeenkomsten organiseren, sollicitatietraining geven en dergelijke, bij uitstek gefocust is op het persoonlijk aanspreken van de klanten. Hiermee zijn de conclusies van de TC echter niet voldoende weerlegd. Bij de analyse van beleid en uitvoering, die bij de aanvraag is ingezonden, heeft appellant geen melding gemaakt van de actie Zichtbaar. De staatssecretaris mocht afgaan op de aanvraag en de daarbij gegeven analyse. Daarbij is volstaan met de vermelding dat bij het indienen van een aanvraag sterk wordt gestuurd op mogelijk onrechtmatige bijstandsverlening, dat klanten per kwartaal door middel van een nieuwsbrief worden gewezen op hun rechten en plichten, en dat bij het vermoeden of een concrete aanwijzing van bijstandsfraude de sociale recherche wordt ingeschakeld. Ten slotte wordt jaarlijks een rechtmatigheidsonderzoek uitgevoerd door de kwaliteitsmedewerker. Dit zijn echter standaardactiviteiten die elke gemeente verricht.

5.8.2.

Daarnaast heeft de TC er terecht op gewezen dat appellant in zijn analyse niet heeft beschreven op welke wijze mogelijke fraude vroegtijdig kan worden gedetecteerd en afgehandeld. Zo is onduidelijk in welke mate gebruik wordt gemaakt van de controlemogelijkheden die samenhangen met de aansluiting op het Inlichtingenbureau en het SUWI-net. Niet beschreven is, zoals voorgeschreven op het aanvraagformulier, op welke wijze sturing wordt gegeven aan beleid en uitvoering, dat wil zeggen welke maatregelen zijn genomen, hoe de voortgang is bewaakt en wat is gedaan bij het niet behalen van de beoogde resultaten. De enkele melding in beroep van het handhavingsproject Zichtbaar, dat alleen betrekking had op Huijbergen - een kern van de gemeente Woensdrecht - en een toename van het aantal fraude-onderzoeken van drie naar zeven, is gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat een vergelijking met andere gemeenten op dit punt ontbreekt, onvoldoende voor het oordeel dat sprake is geweest van een bijzondere inzet.

5.8.3.

Het voorgaande wordt niet anders omdat, zoals appellant heeft aangevoerd, de TC geen nadere vragen heeft gesteld over de handhaving, terwijl over de in- en uitstroom wel vragen zijn gesteld. Zoals in 5.5 is overwogen, ligt het op de weg van de gemeente die een IAU aanvraagt om duidelijke, volledige en met cijfers onderbouwde gegevens te verstrekken. Appellant kon daarom niet volstaan met een summiere onderbouwing en het vervolgens aan de TC overlaten om de hiaten in de gegevensverstrekking op te sporen en hierover nadere informatie te vragen.

5.9.

Uit 5.3 tot en met 5.8.3 volgt dat de TC in zijn aanvullende advies alsnog in toereikende mate heeft onderbouwd waarom geen sprake is van een bijzondere inzet van appellant op de onderdelen bevordering van de uitstroom, beperking van de instroom en handhaving. Niet is gebleken van redenen waarom de staatssecretaris zich niet op het aanvullende advies van de TC zou mogen verlaten. Het beroep tegen het nadere besluit zal daarom ongegrond worden verklaard.

6. Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 januari 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 januari 2015 ongegrond;

- bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep

betaalde griffierecht van in totaal € 796,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2015.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.L. Meijer

HD