Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
14-1257 WAO
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3238
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Met de uitspraken van de Raad van 15 april 2003 (ECLI:NL:CRVB: 2003:AI0631) en 23 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM2296) staat in rechte vast dat appellant met ingang van 30 juni 1997 geen recht meer heeft op een WAO-uitkering, omdat vanaf die datum niet langer sprake is van zodanige medische beperkingen dat hij ongeschikt is voor het verrichten van zijn maatmanarbeid. Gegeven het feit dat de verslechtering van de gezondheid van appellant niet is ingetreden binnen vijf jaar nadat het recht op WAO-uitkering was beëindigd, heeft appellant vanaf 1 januari 2003 geen recht op WAO-uitkering. Evenmin is gebleken dat appellant op die datum op andere gronden verzekerd was voor de WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1257 WAO

Datum uitspraak: 15 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

21 januari 2014, 13/5387 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. van Bremen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Bremen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 13 maart 2013 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van

1 januari 2013 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat uit het rapport van verzekeringsarts Evegaars van 25 februari 2013 is gebleken dat de gezondheid van appellant met ingang van 1 januari 2003 weliswaar is verslechterd, maar dat dit niet kan leiden tot toekenning van een WAO-uitkering omdat appellant met ingang van 30 juni 1997 geen recht meer heeft op een WAO-uitkering en de verslechtering van zijn gezondheid meer dan vijf jaar na de beëindiging van zijn WAO-uitkering is ingetreden. Volgens het Uwv heeft appellant ook geen recht op WAO-uitkering omdat hij per 1 januari 2013 niet verzekerd is voor die wet.

1.2.

Bij besluit van 2 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 maart 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij vanaf 25 juli 1980 doorlopend arbeidsongeschikt is geweest zodat hij tot op de dag van vandaag in aanmerking zou komen voor een WAO-uitkering. Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn gezondheid pas met ingang van 1 januari 2003 en niet eerder is verslechterd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de uitspraken van de Raad van 15 april 2003 (ECLI:NL:CRVB: 2003:AI0631) en

23 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM2296) staat in rechte vast dat appellant met ingang van 30 juni 1997 geen recht meer heeft op een WAO-uitkering, omdat vanaf die datum niet langer sprake is van zodanige medische beperkingen dat hij ongeschikt is voor het verrichten van zijn maatmanarbeid.

4.2.

Het Uwv heeft op goede gronden aangenomen dat de gezondheid van appellant pas met ingang van 1 januari 2003 is verslechterd. Verzekeringsarts Evegaars heeft terecht gewezen op de beschikbare medische informatie. Uit de brief van psychiater A.F.F.R. van Reijssen van de Parnassia Bavo Groep van 23 maart 2011 blijkt dat appellant vanaf 2003 in behandeling is geweest bij deze organisatie en sinds 2004 voor medicamenteuze behandeling bij deze psychiater. Daarnaast wordt in een diagnose en behandelplan van Radar van 14 juni 2012 vermeld dat de klachten van appellant sinds 2003 erger zijn geworden en dat dit te maken zou hebben met het overlijden van zijn zoon. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zijn gezondheid al vóór 1 januari 2003 was verslechterd. Het beroep dat appellant heeft gedaan op het rapport van drs. B.N.V. Hoogeveen van 18 juli 2002 slaagt niet. De Raad heeft in zijn 4.1 genoemde uitspraak van 15 april 2003 al vastgesteld dat dit rapport op tal van plaatsen met de overige gedingstukken strijdige feitelijke gegevens bevat zonder dat dit afdoende wordt verklaard en daarom geen blijk geeft van een zorgvuldige beoordeling.

4.3.

Gegeven het feit dat de verslechtering van de gezondheid van appellant niet is ingetreden binnen vijf jaar nadat het recht op WAO-uitkering was beëindigd, heeft appellant vanaf

1 januari 2003 geen recht op WAO-uitkering.

4.4.

Evenmin is gebleken dat appellant op die datum op andere gronden verzekerd was voor de WAO. Het Uwv heeft er in zijn verweerschrift terecht op gewezen dat, zelfs indien appellant, zoals hij meent, vanaf 25 juli 1980 aanspraak zou hebben gehouden op een

WAO-uitkering, hij per 1 januari 2003 uit dien hoofde niet verzekerd zou zijn voor de WAO, omdat artikel 7b van de WAO, zoals dit artikel luidde op 1 januari 2003, bepaalde dat voor de toepassing van de WAO mede als werknemer wordt beschouwd degene, die op grond van de verplichte verzekering van deze wet uitkering ontvangt, waarbij volgens vaste rechtspraak (onder meer ECLI:NL:CRVB: 2012:BY3186) het begrip ’ontvangen’ feitelijk moet worden uitgelegd. Bepalend is of appellant feitelijk WAO-uitkering heeft ontvangen en niet of hij op grond van de WAO aanspraak op uitkering kan maken.

4.5.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) N. van Rooijen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip werknemer.

AP