Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2373

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
14-5010 WWB-V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 juli 2015

14/5010 WWB-V

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 juli 2014, 14/1364

Partijen:

[Appellanten] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 14 april 2015 heeft de Raad het hoger beroep van appellanten tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Appellanten hebben verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 2 juli 2015. Appellanten zijn verschenen. Het college is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 14 april 2015 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellanten niet in verzuim zijn geweest.

Het hogerberoepschrift is op 3 september 2014 ter post bezorgd en op 4 september 2014 bij de Raad ontvangen.

Vaststaat dat een afschrift van de aangevallen uitspraak op 16 juli 2014 aangetekend is verzonden aan het - juiste - adres van appellanten en daar op 17 juli 2014 ook is aangeboden. Bij de gedingstukken bevindt zich een ondertekende ontvangstbevestiging.

Appellanten hebben verklaard dat zij dit aangetekende stuk niet hebben ontvangen en dat de handtekening op de ontvangstbevestiging niet de handtekening van een van hen is en ook niet door een van hen is gezet. Ook hebben zij niemand gemachtigd om voor hen een aangetekend stuk in ontvangst te nemen.

De Raad ziet in het door appellanten naar voren gebrachte geen grond om aan te nemen dat het aangetekende stuk niet is ontvangen. De handtekening op de ontvangstbevestiging komt weliswaar niet overeen met de handtekeningen van appellanten zoals die op enkele van de gedingstukken staan, maar dat dwingt niet tot de conclusie dat het aangetekende stuk niet door een van hen of door iemand anders op het adres van appellanten in ontvangst is genomen. Voor dat laatste is een machtiging niet vereist. Appellanten hebben niets aangevoerd dat het tegendeel aannemelijk maakt.

Dit betekent dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend. Van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, is niet gebleken.

De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

Appellanten hebben op 25 juli 2014 telefonisch contact opgenomen met de rechtbank. Naar aanleiding daarvan is eveneens op 25 juli 2014 een afschrift van de aangevallen uitspraak niet-aangetekend aan appellanten verzonden, die zij op 26 juli 2014 ook hebben ontvangen. In de aanbiedingsbrief is vermeld dat een afschrift van de aangevallen uitspraak op 16 juli 2014 aangetekend is verzonden en dat deze tweede verzending geen verandering brengt in de hogerberoepstermijn. Appellanten hadden dus hoe dan ook ruim de gelegenheid om tijdig hoger beroep in te stellen. Zij hebben geen bevredigende verklaring gegeven voor het feit dat zij dit - desondanks - niet hebben gedaan.

Het verzet is ongegrond.

Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

De Raad ziet wel aanleiding te bepalen dat het door appellanten in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad aan hen wordt terugbetaald.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het verzet ongegrond;

- bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,- door de griffier aan

appellanten wordt terugbetaald.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2015.

(getekend) T.G.M. Simons

(getekend) J.L. Meijer

HD