Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2369

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
14-2927 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad volgt de rechtbank in het onder 2 vermelde oordeel. De aan appellant verweten gedragingen zijn door hem erkend en met name de feiten waarvoor hij (inmiddels onherroepelijk) is veroordeeld, zijn van zodanige ernst dat, zeker gezien de functie van appellant, sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim. Dat appellant als voorzitter deel uitmaakte van een bestuur dat mede verantwoordelijk was voor dit handelen doet aan de eigen verantwoordelijkheid van appellant voor deze gedragingen niet af. Dat ten aanzien van besturen van andere scholen blijkbaar een ander vervolgingsbeleid is toegepast kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Hier komt nog bij het niet integer handelen van appellant door zijn nevenwerkzaamheden en zijn betrokkenheid bij een strafproces niet te melden. De minister heeft terecht gesteld dat door al deze gedragingen geen vertrouwen meer in appellant aanwezig is, terwijl een onvoorwaardelijk vertrouwen onmisbaar is, gezien de aard van de functie. Een penitentiair inrichtingswerker die zelf is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf verliest zijn geloofwaardigheid ten opzichte van gedetineerden en kan daardoor een onaanvaardbaar veiligheidsrisico vormen. De minister was dan ook bevoegd om appellant disciplinair te straffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/2927 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

11 april 2014, 13/386 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2015. Appellant is verschenen en de minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Sanders en H. Koonen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 januari 1995 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), sinds 1 februari 2007 als [naam functie] bij de voormalige penitentiaire inrichting (PI) [X]. Naar aanleiding van een publicatie in twee kranten met betrekking tot een strafrechtelijke vervolging van appellant is een onderzoek ingesteld door het Bureau Integriteit en Veiligheid, waarvan op 23 maart 2012 een rapport is uitgebracht. In dit rapport is vastgesteld dat appellant zich van 18 tot 20 oktober 2010 ten onrechte ziek heeft gemeld. Hij was die dagen in verzekering gesteld vanwege een strafrechtelijk onderzoek. Verweerder heeft appellant voor deze gedraging op 23 december 2010 de straf van een schriftelijke berisping opgelegd. Op 2 februari 2012 is appellant de toegang tot de PI ontzegd.

1.2.

Bij vonnissen van de rechtbank Limburg van 14 februari 2012 is appellant veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar, een werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis wegens valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd, en het van witwassen een gewoonte maken respectievelijk tot terugbetaling van een bedrag van € 100.136,70 wegens wederrechtelijk verkregen voordeel. Appellant heeft ter terechtzitting meegedeeld dat deze vonnissen in hoger beroep in stand zijn gebleven.

1.3.

Bij besluit van 21 juni 2012 heeft de minister aan appellant met onmiddellijke ingang strafontslag verleend. Aan dit ontslag zijn de volgende gedragingen als plichtsverzuim aan appellant verweten:

- hij heeft niet gemeld dat hij verdachte was in een strafzaak, hoewel hij daarvoor ruim de tijd en de mogelijkheid heeft gehad;

- hij heeft herhaaldelijk onware verklaringen afgelegd over zijn afwezigheid in oktober 2010;

- hij heeft zijn nevenwerkzaamheden niet gemeld;

- hij heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van misdrijven, in het bijzonder het meermalen plegen van valsheid in geschrifte en het van witwassen een gewoonte maken, waarvoor hij is veroordeeld tot de onder 1.2 genoemde straf;

- hij heeft door zijn handelen de veiligheid van zijn collega’s en de inrichting in gevaar gebracht;

- hij heeft door zijn handelen de goede naam van het Ministerie van Veiligheid en Justitie in het algemeen en van de DJI in het bijzonder in diskrediet gebracht;

- hij heeft gehandeld in strijd met instructies en algemeen geldende normen, daaronder begrepen de Gedragscode DJI.

Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van de minister van

21 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat van de aan het strafontslag ten grondslag gelegde gedragingen alleen al genoemde strafrechtelijke veroordelingen voldoende zijn om tot strafontslag te kunnen overgaan. De combinatie van die veroordeling tot onder meer het terugbetalen van een wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 100.136,70 en zijn functie als bewaarder, maken hem tot een chantabel persoon. Hierdoor zal hij de inrichting in gevaar kunnen brengen, temeer nu de veroordeling van appellant door publicaties bij een groot publiek bekend is geworden. Met betrekking tot de overige aan appellant verweten gedragingen overwoog de rechtbank dat appellant op grond van de door hem ontvangen circulaire gedragscode DJI van 3 november 2009 en ook op grond van het daarvoor geldende gedragsprotocol integriteit DJI van juni 2002 op de hoogte was c.q. had moeten zijn van zijn meldplicht van de hem verweten feiten en van zijn inverzekeringstelling in oktober 2010. Verder wist appellant, althans had hij moeten weten dat er gevolgen konden worden verbonden aan het verstrekken van onjuiste informatie en wist appellant dat hij zijn nevenwerkzaamheden als voorzitter van twee Islamitische scholen officieel had moeten melden. De enkele mededeling bij een sollicitatiegesprek en de vermelding in een curriculum vitae ontslaan appellant niet van zijn verplichting deze nevenwerkzaamheden uitdrukkelijk, volgens de daarvoor geldende regels, te melden. De rechtbank achtte de verweten gedragingen toerekenbaar en de straf van onvoorwaardelijk ontslag evenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim.

3. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat aan de door hem gepleegde fraude een bestuurlijk besluit ten grondslag lag en dat de baten hiervan alleen ten goede kwamen aan het vervoer van leerlingen naar de scholen, dat de ouders hiervan wisten en de gemeenten hiervan hebben geprofiteerd. Verder is aangevoerd dat diezelfde fraude ook elders bij Islamitische scholen werd gepleegd met hetzelfde doel, dat alleen de leden van het bestuur waarvan appellant deel uitmaakte door de rechter zijn veroordeeld en de andere besturen niet zijn aangeklaagd of een sepot is gevolgd. Met betrekking tot de meldplicht van de nevenwerkzaamheden heeft appellant herhaald dat hij deze destijds heeft gemeld in zijn sollicitatiebrief en bij interne sollicitaties en dat deze werkzaamheden bekend waren bij zijn leidinggevenden. Chantage acht appellant te voorkomen door hem over te plaatsen naar bijvoorbeeld een centrum voor vreemdelingenbewaring.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De Raad volgt de rechtbank in het onder 2 vermelde oordeel. De aan appellant verweten gedragingen zijn door hem erkend en met name de feiten waarvoor hij (inmiddels onherroepelijk) is veroordeeld, zijn van zodanige ernst dat, zeker gezien de functie van appellant, sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim. Dat appellant als voorzitter deel uitmaakte van een bestuur dat mede verantwoordelijk was voor dit handelen doet aan de eigen verantwoordelijkheid van appellant voor deze gedragingen niet af. Dat ten aanzien van besturen van andere scholen blijkbaar een ander vervolgingsbeleid is toegepast kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Hier komt nog bij het niet integer handelen van appellant door zijn nevenwerkzaamheden en zijn betrokkenheid bij een strafproces niet te melden.

De minister heeft terecht gesteld dat door al deze gedragingen geen vertrouwen meer in appellant aanwezig is, terwijl een onvoorwaardelijk vertrouwen onmisbaar is, gezien de aard van de functie. Een penitentiair inrichtingswerker die zelf is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf verliest zijn geloofwaardigheid ten opzichte van gedetineerden en kan daardoor een onaanvaardbaar veiligheidsrisico vormen.

5.2.

Gezien hetgeen onder 5.1 is overwogen was de minister bevoegd om appellant disciplinair te straffen. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de minister had moeten volstaan met een overplaatsing. Gelet op de aard en ernst van het plichtsverzuim acht de Raad de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig.

6. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en

W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2015.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.W. Munneke

MK