Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2366

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
14-2389 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Plichtsverzuim. Onwerkbare situatie. Terecht heeft het college zich tegenover hen op het standpunt gesteld dat hun privéproblemen geen weerslag mochten hebben op de werkzaamheden van de buitendienst. Geconstateerd moet echter worden dat het college het vooral aan G en appellant zelf heeft overgelaten een uitweg te vinden. Ook is niet gebleken dat het college, toen bleek dat G moeite met de situatie bleef houden, heeft gezocht naar andere oplossingen zoals een (tijdelijke) overplaatsing of detachering van één van beide medewerkers of een wisseling van werkzaamheden binnen de buitendienst. Ook heeft het college, zoals ter zitting is bevestigd, niet in een gesprek met de medewerkers van de buitendienst de kwestie aan de orde gesteld om te proberen een modus voor verder samenwerking te vinden. Het college heeft zich dan ook te vroeg op het standpunt gesteld dat sprake was van een onhoudbare situatie waaraan alleen nog door een ontslag van appellant een einde kon worden gemaakt. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. Het ontslag van appellant kan niet in stand blijven. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ten onrechte het beroep tegen de primaire ontslaggrond en het beroep tegen de subsidiaire ontslaggrond afzonderlijk gegrond verklaard en het bestreden besluit voor wat betreft beide ontslaggronden afzonderlijk vernietigd. De rechtbank had namelijk kunnen volstaan met het gegrond verklaren van het beroep, het vernietigen van het bestreden besluit en het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor wat betreft de subsidiaire ontslaggrond. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht. Verder zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en het besluit van 23 januari 2013 worden herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2389 AW

Datum uitspraak: 16 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 maart 2014, 13/3224 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Renswoude (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.J. Botterblom, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Botterblom. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

G.S.L. Bertelink en J. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 2003 werkzaam bij de gemeente Renswoude als [naam functie] op de afdeling [naam afdeling]. Appellant werkte daarbij nauw samen met zijn collega G.

1.2.

Vanaf 2010 is met appellant en G gesproken over de contacten van appellant met de echtgenote van G, omdat dit verstorend werkte op de samenwerking tussen G en appellant en ook invloed had op de werksfeer binnen de buitendienst.

1.3.

Op 15 juni 2011 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden van de gemeentesecretaris en het hoofd [naam afdeling] met appellant. Daarbij is te kennen gegeven dat appellant en G op korte termijn een oplossing dienen te vinden voor de ontstane situatie. Op 20 juni 2011 hebben appellant en G laten weten dat er afspraken waren gemaakt en dat onderlinge samenwerking weer mogelijk was.

1.4.

Naar aanleiding van de ergenissen binnen de buitendienst heeft het college op 23 april 2012 aan appellant laten weten dat wanneer de werkrelaties weer verstoord raken door

privé-omstandigheden dit zal leiden tot ontslag.

1.5.

Bij brief van 29 augustus 2012 heeft het college aan appellant te kennen gegeven dat het voor G onmogelijk is om nog langer met hem samen te werken en dat de werksfeer binnen het team buitengewoon slecht is geworden. Volgens het college is het niet langer aanvaardbaar dat appellant bij de gemeente blijft werken.

1.6.

Na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft het college hem bij besluit van 23 januari 2013 per 1 februari 2013 ontslag verleend. Dit ontslag is primair een ongevraagd strafontslag op grond van artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Subsidiair betreft het een ontslag met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO omdat een onwerkbare situatie is ontstaan. Aan het ontslag ligt ten grondslag dat appellant met het college gemaakte afspraken over zijn relatie met de echtgenote van G niet is nagekomen. Volgens het college heeft appellant zich daarmee schuldig gemaakt aan plichtsverzuim en is door zijn gedrag de relatie met zijn leidinggevende en de collega’s van de buitendienst verstoord geraakt.

1.7.

Bij besluit van 15 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.1.

In een tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd welke gedragingen van appellant als plichtsverzuim worden aangemerkt. Ook heeft het college volgens de rechtbank het ontslag op andere gronden onvoldoende gemotiveerd.

2.2.

Bij brief van 9 december 2013 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant ermee had ingestemd geen contact meer te onderhouden met de echtgenote van G om zo de werkrelatie met G te herstellen. Volgens het college was in de zomer van 2012 gebleken dat appellant zich stelselmatig niet aan deze afspraak heeft gehouden. Daarmee heeft appellant zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim en is een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen het college en appellant ontstaan.

2.3.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het strafontslag gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het besluit van 23 januari 2013 herroepen voor wat betreft het strafontslag. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door in strijd met gemaakte afspraken contact te onderhouden met de echtgenote van G. Strafontslag is volgens de rechtbank echter niet evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

2.3.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het ontslag op andere gronden eveneens gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit deel van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van een zodanig verstoorde verhouding tussen appellant en G dat voorzetting van de samenwerking niet meer aan de orde was. Door in strijd met gemaakte afspraken het contact met de echtgenote van G te laten voortduren, is volgens de rechtbank de werkrelatie verder verstoord. Het college heeft geprobeerd een ontslag van appellant te voorkomen door afspraken met hem te maken, maar appellant is deze afspraken niet nagekomen. Vanwege het specialistische karakter van de werkzaamheden van appellant en de kleinschaligheid van de buitendienst was het voor het college volgens de rechtbank niet mogelijk appellant en G uit elkaar te halen.

3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Omdat het college geen hoger beroep heeft ingesteld, is tussen partijen in geschil of het ontslag van appellant met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO stand kan houden.

4.2.

Voor de Raad is niet komen vast te staan dat het college met appellant de afspraak had gemaakt dat appellant de contacten met de echtgenote met G uit de weg zou gaan. Uit het verslag dat is opgemaakt van de gesprekken in juni 2011 met appellant, blijkt dat het college het maken van afspraken over de samenwerking tussen appellant en G heeft overgelaten aan beide medewerkers. De afspraak met het college hield volgens dit verslag in dat G en appellant ervoor moesten zorgen dat zij weer met elkaar konden samenwerken. Niet is komen vast te staan dat verdere afspraken zijn gemaakt nadat appellant en G het college hadden laten weten dat onderlinge samenwerking weer mogelijk was. Volgens de verklaring van G had hij met appellant een afspraak gemaakt over het beëindigen van de relatie met zijn echtgenote. Dat ook het college met appellant een dergelijke afspraak heeft gemaakt blijkt uit deze verklaring niet. Ook uit de verklaring van S, opzichter van de buitendienst, blijkt niet dat er van werkgeverszijde afspraken zijn gemaakt met appellant over zijn contacten met de echtgenote van G. Anders dan de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant met het onderhouden van contacten met de echtgenote van G heeft gehandeld in strijd met afspraken die met het college waren gemaakt.

4.3.

Uit het verslag van de gesprekken in juni 2011 en de verklaringen van G en S komt naar voren dat in ieder geval tot het moment van het voornemen tot disciplinair ontslag van appellant de contacten van appellant met de echtgenote van G met name hun weerslag hadden op de samenwerking tussen hen beiden. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat door deze kwestie ook de verhouding van appellant met de andere collega’s onherstelbaar was verstoord. Appellant heeft dit altijd ontkend, terwijl ook in de door de andere medewerkers van de buitendienst ingevulde vragenlijsten daarvoor onvoldoende bevestiging kan worden gevonden.

4.4.

Duidelijk is dat het college in zijn maag zat met de problemen die tussen appellant en G waren ontstaan. Terecht heeft het college zich tegenover hen op het standpunt gesteld dat hun privéproblemen geen weerslag mochten hebben op de werkzaamheden van de buitendienst. Geconstateerd moet echter worden dat het college het vooral aan G en appellant zelf heeft overgelaten een uitweg te vinden. Ook is niet gebleken dat het college, toen bleek dat G moeite met de situatie bleef houden, heeft gezocht naar andere oplossingen zoals een (tijdelijke) overplaatsing of detachering van één van beide medewerkers of een wisseling van werkzaamheden binnen de buitendienst. Ook heeft het college, zoals ter zitting is bevestigd, niet in een gesprek met de medewerkers van de buitendienst de kwestie aan de orde gesteld om te proberen een modus voor verder samenwerking te vinden. Het college heeft zich dan ook te vroeg op het standpunt gesteld dat sprake was van een onhoudbare situatie waaraan alleen nog door een ontslag van appellant een einde kon worden gemaakt.

4.5.

Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. Het ontslag van appellant kan niet in stand blijven. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak ten onrechte het beroep tegen de primaire ontslaggrond en het beroep tegen de subsidiaire ontslaggrond afzonderlijk gegrond verklaard en het bestreden besluit voor wat betreft beide ontslaggronden afzonderlijk vernietigd. De rechtbank had namelijk kunnen volstaan met het gegrond verklaren van het beroep, het vernietigen van het bestreden besluit en het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor wat betreft de subsidiaire ontslaggrond. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht. Verder zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en het besluit van 23 januari 2013 worden herroepen.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 32,56 voor de reiskosten in beroep en hoger beroep van appellant van zijn woonplaats naar Utrecht op basis van openbaar vervoer tweede klasse.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en

griffierecht;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 mei 2013;

- herroept het besluit van 23 januari 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 15 mei 2013;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.992,56;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 246,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2015.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C.M. Fleuren

HD