Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
14-5561 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Autohandel in de te beoordelen periode. Kasstortingen. Intrekking en terugvordering bijstand. Opdracht tot nieuw besluit met betrekking tot de hoogte van de terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5561 WWB

Datum uitspraak: 14 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 augustus 2014, 14/76 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het dagelijks bestuur van Baanbrekers (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD)

Midden-Langstraat werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur tevens verstaan het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst

Midden-Langstraat.

Namens appellanten heeft mr. S. Cakal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Cakal. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

E.B. van Schijndel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 13 december 2007 bijstand ingevolge de WWB naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Nadat begin 2012 uit Suwinet onder meer was gebleken dat er meerdere kentekens op naam van appellanten geregistreerd hebben gestaan, hebben medewerkers handhaving van de ISD Midden-Langstraat en van Baanbrekers een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader hebben de medewerkers handhaving onder meer dossieronderzoek verricht, registers geraadpleegd, getuigen gehoord en appellant meermalen verhoord.

1.3.

In het kader van het onderzoek heeft het dagelijks bestuur appellanten bij brieven van

6 februari en 29 november 2012, 15, 21 en 30 januari 2013 verzocht om afschriften van de verschillende bankrekeningen op naam van appellanten over de periode van 17 februari 2009 tot en met 30 april 2012 en bewijsstukken van de aan- en verkoop van de in totaal

15 kentekens die in deze periode op naam van appellanten hebben gestaan. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften blijkt dat sprake is van meerdere kasstortingen variërend van bedragen van € 50,- tot € 6.400,- met een totaal bedrag van € 14.880,-. De medewerkers handhaving hebben appellant vervolgens op 4, 11, 18 en 20 februari 2013 verhoord. Getuige [Naam getuige T] (T) is op 12 februari 2013 gehoord over door haar aan appellanten geleende en geschonken geldbedragen. Verder hebben de medewerkers handhaving op 16 april 2013 [naam getuige B] (B), op 17 april 2013 [naam getuige O] (O) en op 8 mei 2013 [naam getuige D] (D) als getuige gehoord betreffende de aan- en verkoop van verschillende auto’s. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 mei 2013.

1.4.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 11 juli 2013 de bijstand van appellanten over de periode van 17 februari 2009 tot en met 30 april 2012 in te trekken. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft het dagelijks bestuur de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 62.319,45.

1.5.

Bij besluit van 22 november 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 11 juli 2013 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de handel in auto’s, de kasstortingen en de ontvangen schenkingen. Daarbij heeft het dagelijks bestuur opgemerkt dat bij autohandel kan worden gesteld dat in de maand van de transactie geen recht op bijstand bestaat, tenzij de betrokkene kan aantonen dat dat wel zo is. In dit geval is echter sprake van onverklaarbare kasstortingen en tevens van een bestedingspatroon dat niet gebruikelijk is voor bijstandontvangers, zoals het halen van het rijbewijs en vliegreizen, zodat het recht op bijstand niet alsnog aan de hand van de transactiedata kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals ter zitting met partijen is besproken berust de intrekking en de terugvordering over de periode van 17 februari 2009 tot 29 juli 2009 op onvoldoende feitelijke grondslag, nu eerst op 29 juli 2009 aanwijzingen voorhanden zijn van autohandel gelet op een transactie van die datum en in de periode tot 29 juli 2009 slechts sprake is van kasstortingen van relatief bescheiden bedragen, waarvoor appellanten een niet op voorhand onaannemelijke verklaring hebben gegeven. De gemachtigde van het dagelijks bestuur heeft ter zitting verklaard dat het dagelijks bestuur de intrekking en terugvordering over die periode niet langer handhaaft. Dit betekent dat het geschil is beperkt tot de periode van 29 juli 2009 tot en met 30 april 2012

(te beoordelen periode).

4.2.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat sprake is van schending van de inlichtingenverplichting door appellanten. Vaststaat immers dat appellanten in de te beoordelen periode meerdere kentekens op naam hebben gehad, waarvan zij geen melding hebben gedaan aan het dagelijks bestuur. Verder staat vast dat appellanten in de te beoordelen periode over contante geldbedragen hebben beschikt en dat zij van T schenkingen hebben ontvangen, waarvan appellanten evenmin melding hebben gedaan.

4.3.

Gelet op deze schending van de inlichtingenverplichting, en de daarmee samenhangende bewijslastverdeling, lag het op de weg van appellanten om te stellen en aannemelijk te maken dat zij, indien zij de inlichtingenverplichting wel naar behoren zouden zijn nagekomen, over de te beoordelen periode recht op (aanvullende) bijstand zouden hebben gehad.

4.3.1.

Ten aanzien van de te beoordelen periode staat vast dat dertien kentekens op naam van appellanten hebben gestaan, waarvan zeven auto’s gedurende betrekkelijk korte tijd, variërend van één dag tot enkele weken, op naam van appellanten hebben gestaan. Naar vaste rechtspraak, zie uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306, rechtvaardigt dit de vooronderstelling dat met betrekking tot die auto’s transacties hebben plaatsgevonden. Appellant heeft betoogd dat hij deze transacties deels ten behoeve van anderen heeft verricht en dat hij alle transacties voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Dit betoog treft geen doel. Daartoe is allereerst van belang dat de aan- en verkopen van alle auto’s met contante gelden hebben plaatsgevonden. Weliswaar heeft appellant enkele facturen en vrijwaringsbewijzen overgelegd, maar hij heeft geen volledig beeld gegeven nu meerdere transacties niet met verifieerbare en objectieve gegevens zijn onderbouwd. Daarbij komt dat de voorhanden zijnde getuigenverklaringen betreffende onder meer de aan- en verkoopbedragen niet overeenkomen met de verklaringen van appellant. Zo heeft getuige D verklaard dat zij de Peugeot 206 met kenteken [kentekennummer] voor een bedrag van € 3.500,- heeft gekocht en dit bedrag contant heeft betaald. Appellant heeft verklaard dat hij deze auto heeft verkocht aan D voor een bedrag van € 2.000,-. Van de verkoop van de [kentekennummer] heeft appellant geen bewijsstukken overgelegd. Ook komt de verklaring van getuige O over de verkoop van de [Kentekennummer 2] niet overeen met de verklaring van appellant. Appellant heeft verklaard dat hij aanwezig en behulpzaam is geweest bij de aan- en verkoop van deze auto voor een vriend van hem, te weten [naam vriend E] (E). De [Kentekennummer 2] heeft twee dagen op naam van appellant gestaan en stond vervolgens op naam van E. Appellant heeft verklaard dat de [Kentekennummer 2] daarna is verkocht aan O voor een bedrag van € 6.400,- contant, welk bedrag appellant op verzoek van E op de bankrekening van appellanten heeft gestort. O heeft echter verklaard dat hij de auto voor een bedrag van € 7.500,- van een man in [woonplaats] heeft gekocht. Hij heeft dit geld contant gegeven. Ook van de aan- en verkoop van de [Kentekennummer 2] ontbreken objectieve en verifieerbare stukken. De enkele verklaring van E, inhoudende dat appellant in 2009 en 2010 voor hem auto’s heeft gekocht, is daartoe ontoereikend en geeft evenmin een verklaring voor het feit dat auto’s op naam van appellant hebben gestaan.

4.3.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat ook ten aanzien van de kasstortingen onduidelijkheden zijn blijven bestaan. Vaststaat dat appellanten in de te beoordelen periode meerdere grote bedragen, waaronder bedragen van € 600,-, € 900,- en € 1.800,-, op hun bankrekeningen hebben gestort. Het betoog van appellanten dat deze bedragen afkomstig zijn van geld dat zij hadden opgenomen van de ABN AMRO spaarrekening en van geld dat zij hadden overgehouden van een lening van de Stadsbank, van ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag en van geld dat zij tijdens hun verblijf in het asielzoekerscentrum met klusjes hebben verdiend, hebben zij niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Daarbij komt dat appellant ook wisselende verklaringen heeft afgelegd over de herkomst van enkele kasstortingen. Zo heeft appellant op 11 februari 2013 over het bedrag van € 1.800,- eerst verklaard dat dit geld afkomstig is van de verkoop van een auto met kenteken [Kentekennummer 3] terwijl hij later heeft verklaard dat hij dit bedrag van E heeft geleend voor een vakantie. Daarbij komt dat appellant over de verkoop van de auto met kenteken [Kentekennummer 3] ook heeft verklaard dat hij aan de verkoop een bedrag van ongeveer € 2.000,- heeft overgehouden, welk bedrag hij thuis contant zou hebben bewaard. Daarnaast heeft appellant verklaard dat hij door de verkoop van verschillende auto’s over contante gelden heeft beschikt.

4.3.3.

Ten aanzien van de van T als lening en als schenking ontvangen bedragen hebben appellanten eveneens wisselend verklaard. Op 4 februari 2013 heeft appellant verklaard dat hij een geldbedrag van € 2.000,- heeft geleend van T. Ook heeft hij verklaard dat T een bedrag van ongeveer € 600,- heeft geschonken voor de taalopleiding van appellante. Appellante heeft ter zitting bij de rechtbank verklaard dat zij een bedrag van € 500,- van T heeft geleend in verband met haar opleiding, dat T verder heeft betaald voor haar rijbewijs en dat zij met Kerst wel eens bedragen van T kreeg. Nu de verklaring van T van 25 augustus 2013, inhoudende dat zij in 2011 een bedrag van € 530,- aan appellante heeft geschonken in verband met haar opleiding en in juli 2012 een bedrag van € 1.800,- aan appellanten heeft geleend in verband met de aflossing van een aantal schulden, niet overeenkomt met de verklaringen van appellanten en de door appellanten gestelde bedragen niet met objectieve en verifieerbare stukken zijn onderbouwd, hebben appellanten de onduidelijkheid over de ontvangen leningen en schenkingen niet weggenomen.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat vaststaat dat in de te beoordelen periode sprake is geweest van autohandel. Verder staat vast dat appellanten hebben beschikt over contante gelden welke onder meer verkregen zijn uit de verkoop van auto’s en van de schenkingen van T. Omdat op geen enkel moment de omvang en de herkomst van de contante gelden, waarover appellanten in de te beoordelen periode hebben beschikt, is komen vast te staan, heeft het college terecht het standpunt ingenomen dat over de te beoordelen periode het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.5.

Uit 4.1 volgt dat, anders dan over de periode daarna, de intrekking van de bijstand over de periode van 17 februari 2009 tot 29 juli 2009 geen stand houdt. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor zover daarbij de intrekking over de periode van

17 februari 2009 tot 29 juli 2009 in stand is gelaten. Nu aan het besluit van 11 juli 2013 in zoverre hetzelfde, niet te herstellen, gebrek kleeft, zal de Raad tevens met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door dat besluit in zoverre te herroepen. Omdat een terugvorderingsbesluit ondeelbaar is, zal het bestreden besluit voor zover het de terugvordering betreft in zijn geheel worden vernietigd.

4.6.

Het dagelijks bestuur dient nog slechts, uitgaande van de periode van 29 juli 2009 tot en met 30 april 2012, de hoogte van de terugvordering opnieuw vast te stellen. De Raad kan deze berekening niet zelf maken. Daarom zal op dit punt een opdracht worden gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar en ziet de Raad, nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting.

5. Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze worden begroot op € 980,- in bezwaar, op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.940,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 22 november 2013, voor zover het de intrekking over de periode

van 17 februari 2009 tot 29 juli 2009 en de terugvordering betreft;

- herroept het besluit van 11 juli 2013, voor zover het de intrekking over de periode van

17 februari 2009 tot 29 juli 2009 betreft en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats

treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 22 november 2013;

- draagt het dagelijks bestuur op een nieuw besluit op het bezwaar van appellanten tegen het

besluit van 11 juli 2013 te nemen voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering met

inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten tot een bedrag van € 2.940,-;

- bepaalt dat het dagelijks bestuur het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en G.M.G. Hink en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2015.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C.M. Fleuren

HD