Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2356

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
14-1173 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede-)terugvordering bijstand. Toereikende feitelijke grondslag. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf. Wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1173 WWB, 14/1180 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

22 januari 2014, 13/6951 en 13/6952 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] (appellant) en [appellante] te [woonplaats 2] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 14 juli 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. T. Venneman, advocaat, afzonderlijke hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in deze gevoegde zaken heeft op 6 mei 2015 plaatsgevonden. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Venneman. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft bij zijn aanvraag van 26 oktober 2010 om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) opgegeven dat hij bij appellante in de woning aan [het uitkeringsadres] (uitkeringsadres) te [woonplaats 2] een kamer bewoont. Appellant heeft vervolgens van 18 oktober 2010 tot 27 augustus 2012 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. De bijstand is beëindigd op de grond dat de door appellant per 27 augustus 2012 gemelde inkomsten uit werkzaamheden gelijk of hoger zijn dan de hem toegekende bijstandsnorm.

1.2.

Appellante heeft zich op 30 oktober 2012 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Zij heeft op het aanvraagformulier opgegeven dat zij samenwoont met appellant die sinds 2 oktober 2012 in detentie verblijft. Appellante heeft bij de servicedesk van het Werkplein gezegd dat zij al enige tijd met appellant samenwoont en zwanger is van hem. Bij besluit van 28 december 2012 heeft het college aan appellante met ingang van 30 oktober 2012 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Na de geboorte van haar kind is de norm gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.3.

Naar aanleiding van de in 1.2 vermelde mededeling van appellante heeft de sociale recherche, verbonden aan de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag (sociale recherche), een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De sociale recherche heeft onder meer dossieronderzoek gedaan en appellanten op 28 maart 2013 verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 april 2013.

1.4.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 3 april 2013 de bijstand van appellant over de periode van 18 oktober 2010 tot en met 26 augustus 2012 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 21.708,14 van appellant teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 3 april 2013 heeft het college dit bedrag mede teruggevorderd van appellante.

1.5.

Bij afzonderlijke besluiten van 15 juli 2013 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 3 april 2013 ongegrond verklaard. De besluitvorming is gebaseerd op de grond dat appellanten in de periode van 18 oktober 2010 tot en met

26 augustus 2012 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het uitkeringsadres. Door daarvan geen melding te maken bij de dienst SZW heeft appellant ten onrechte bijstand ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat appellant de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Appellant heeft zelf op 26 oktober 2011 gemeld dat appellante zijn administratie deed. Er was geen sprake van een gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van appellante, omdat appellant niet van de gehele woning gebruik mocht maken. Ook was geen sprake van wederzijdse zorg. Er is hoogstens sprake geweest van eenzijdige niet structurele zorg van appellante voor appellant. Het is onredelijk dat van appellante mede wordt teruggevorderd, omdat appellante geen voordeel heeft gehad van de bijstand van appellant.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 18 oktober 2010 tot en met 26 augustus 2012.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.4.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellanten in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. In dit verband is van belang dat appellant niet heeft betwist dat hij ten tijde in geding in de woning van appellante verbleef en gesteld heeft daar een kamer te huren. Daarmee is aan het eerste criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding voldaan.

4.5.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.6.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat voldaan is aan het criterium van wederzijdse zorg. Daarbij komt doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen die appellanten tegenover de sociale recherche hebben afgelegd. Uit die verklaringen komt naar voren dat appellante betalingen deed met de betaalpas van appellant en dat appellant tweemaal een rekening van appellante aan waterbedrijf Dunea heeft betaald. Ter zitting heeft appellante nog verklaard dat appellant wel eens boodschappen voor haar betaalde, omdat hij geen huur hoefde te betalen. Hieruit volgt dat in ieder geval sprake is geweest van enige financiële verstrengeling. Verder blijkt uit de verklaringen dat appellante voorzag in zorg voor appellant. Appellante bood appellant onderdak, waarvoor hij geen huur hoefde te betalen. Zij deed de boodschappen, zij kookte voor twee of meer, zij deed meestal de was voor appellant en zij heeft kleding gekocht voor appellant. De stelling van appellanten dat, zo al sprake was van zorg van de een voor de ander, deze zorg slechts eenzijdig was van appellante voor appellant, slaagt niet. Van belang daarbij is dat voor het aannemen van wederzijdse zorg niet is vereist dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft. Appellant heeft verklaard dat hij af en toe boodschappen deed en die betaalde en dat hij “zijn steentje bijdroeg aan het huishouden”. Dit is in lijn met de verklaring van appellante dat zij appellant “in haar huishouden heeft opgenomen en dat hij meedraaide in haar huishouden”. Daarmee was in ieder geval, naast enige financiële verstrengeling - ook - sprake van enige zorg van appellant richting appellante.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat appellant in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met appellante heeft gevoerd.

4.8.

Appellanten hebben nog betoogd dat het college van meet af aan volledig op de hoogte was van de feitelijke woon- en leefsituatie van appellanten. Dit betoog faalt. Bij het college was weliswaar bij aanvang van de bijstand bekend dat appellant bij appellante een kamer bewoonde en dat zij hem sinds 26 oktober 2011 met zijn administratie hielp, maar niet dat de woon- en leefsituatie was zoals hiervoor onder 4.6 omschreven. Vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding was appellant geen zelfstandig subject van bijstand en had hij geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Anders dan appellant stelt, heeft hij

- door daar geen melding van te maken - de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden met als gevolg dat hij ten onrechte bijstand heeft ontvangen. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college bevoegd was de bijstand van appellant in te trekken en van hem terug te vorderen. Aangezien hiermee gegeven is dat appellante de persoon is als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de WWB, was het college tevens bevoegd met toepassing van die bepaling de ten onrechte verstrekte bijstand mede van appellante terug te vorderen. De door appellante aangevoerde beroepsgrond dat zij niet van de aan appellant verleende bijstand heeft geprofiteerd, slaagt niet, nu deze omstandigheid, gelet op artikel 59, tweede lid, van de WWB geen voorwaarde is voor de bevoegdheid van het college om tot medeterugvordering over te gaan. Dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt is van de zijde van appellante niet aannemelijk gemaakt.

4.9.

Uit 4.7 en 4.8 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C.M. Fleuren

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD