Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2355

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
13-3108 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. Wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3108 WWB

Datum uitspraak: 14 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 mei 2013, 12/6393 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 april 2015 heeft mr. M. Sloot, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sloot. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Appellant stond ten tijde hier in geding in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegeven (thans: Basisregistratie personen) ingeschreven op het [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een brief van 29 november 2011 waarmee appellant het college in kennis heeft gesteld van een gewijzigde woonsituatie op het uitkeringsadres - een familielid van appellant, mevrouw [P.] (P), is bij hem ingetrokken - heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de DWI onder meer dossieronderzoek verricht, op 3 september 2012 een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd en op 4 september 2012 appellant gehoord. De bevindingen van het onderzoek, zoals neergelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport van 4 oktober 2012, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 9 oktober 2012 de bijstand van appellant met ingang van 3 september 2012 in te trekken op de grond dat appellant per laatstgenoemde datum niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt omdat hij een gezamenlijke huishouding voert met P.

1.3.

Bij besluit van 15 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2012 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 3 september 2012 tot en met

9 oktober 2012.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.

4.3.

Niet in geschil is dat appellant en P in de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres.

4.4.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en

omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in de hier te beoordelen periode is voldaan aan het criterium van de wederzijdse zorg.

4.5.1.

Het college heeft zijn standpunt in de eerste plaats gebaseerd op de verklaringen van P die zij tijdens het op 3 september 2012 afgelegde huisbezoek tegenover de handhavingsmedewerkers [D.] (D) en [M.] heeft afgelegd. Daaruit blijkt dat zij kookt, de kleding wast, het huis schoonmaakt en de boodschappen doet. Als P kookt, dan doet zij dat voor appellant en voor zichzelf. P en appellant maken samen de woning schoon. P is vanwege klachten aan haar been afhankelijk is van appellant en hij helpt haar met zware dingen. Appellant haalt medicijnen voor P als zij pijn heeft aan haar been. P betaalt geen huur of kostgeld aan appellant, maar zij compenseert dat met het doen van de boodschappen. P betaalt de internetaansluiting op het uitkeringsadres.

4.5.2.

Tijdens het gesprek op het kantoor van de DWI op 4 september 2012 heeft appellant voorts verklaard dat P aan appellant geen woonkosten betaalt. Appellant kookt drie á vier keer per week en P eet dan mee. Als P kookt, dan eet appellant mee.

4.6.

Appellant heeft gesteld dat de verklaringen van hem en P, zoals neergelegd in het rapport van 4 oktober 2012, onjuist zijn opgetekend en dat, zo begrijpt de Raad, aan de verklaringen om die reden niet de waarde kan worden toegekend zoals de rechtbank heeft gedaan. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat hij een slechte relatie had met handhavingsmedewerker D. Volgens appellant koestert D wrok jegens hem en wil D hem zijn bijstandsuitkering ontnemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.6.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsmedewerker afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Niet aannemelijk is gemaakt dat zich in dit geval zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Appellant en P hebben afzonderlijk van elkaar een gedetailleerde - in grote lijnen met elkaar overeenstemmende - verklaring afgelegd. De enkele stelling van appellant dat de verklaringen onjuist zijn opgetekend als gevolg van een mogelijk misverstand tussen appellant en P enerzijds en de handhavingsmedewerkers anderzijds, is onvoldoende om aan de juistheid van de weergave van de eerdere verklaringen, die bovendien in een op ambtseed opgemaakt rapport zijn neergelegd, te twijfelen.

4.6.2.

Het dossier bevat voorts geen aanknopingspunten voor de stelling van appellant dat handhavingsmedewerker D wrok koestert jegens hem en hem om die reden de bijstandsuitkering heeft willen afnemen.

4.7.

De omstandigheden, zoals genoemd in 4.5.1 en 4.5.2, bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat vanaf 3 september 2012 sprake was van wederzijdse zorg tussen appellant en P. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor een gezamenlijke huishouding.

4.8.

Appellant heeft, in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting, niet bij het college gemeld dat hij en P een gezamenlijke huishouding voeren. Appellant heeft aangevoerd dat in het bestreden besluit niet is vermeld dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De rechtbank heeft evenwel terecht gewezen op pagina 2 van dat besluit, waar het college heeft opgemerkt dat appellant de DWI niet over de gezamenlijke huishouding heeft ingelicht.

4.9.

Gelet op de overwegingen 4.3 tot en met 4.8 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2015.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.L. Meijer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD