Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2354

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
14-42 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag en terugvordering voorschotten. Niet kan worden vastgesteld dat appellant in Almere woont.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/42 WWB, 14/43 WWB

Datum uitspraak: 14 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

15 november 2013, 13/1420 en 13/1426 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. Rispens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rispens. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Koot.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 31 juli 2012 gemeld voor het doen van een aanvraag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Hij heeft het ingevulde aanvraagformulier op

24 augustus 2012 bij de balie van de gemeente Almere afgeleverd. Op het aanvraagformulier heeft appellant [adres] te [woonplaats] als woonadres opgegeven.

1.2.

Bij brief van 28 augustus 2012 is appellant in het kader van zijn aanvraag uitgenodigd voor een intakegesprek op 3 september 2012. Bij deze brief is gevoegd een bewijsstukkenlijst waarop is aangegeven welke stukken appellant tijdens het intakegesprek dient te overleggen, waaronder bankafschriften van alle betaalrekeningen over de periode van 1 januari 2012 tot 31 juli 2012.

1.3.

Bij besluiten van 26 september 2012 en 31 oktober 2012 heeft het college aan appellant voorschotten toegekend van in totaal € 1.390,-.

1.4.

Uit de door appellant overgelegde bankafschriften is gebleken dat de meeste pinbetalingen plaatsvinden in Amsterdam en nauwelijks in Almere. Voorts is op de rekening van appellant op 3 april 2012 een bedrag van € 51,50 overgemaakt onder vermelding van “retour kolfgeld”. Om die reden heeft het college bij brief van 1 november 2012 aan appellant gevraagd waarom hij zoveel in Amsterdam is en waarom kolfgeld op zijn rekening is gestort. Appellant heeft vervolgens schriftelijk verklaard dat hij op 12 maart 2012 met zijn vriendin, woonachtig in Amsterdam, een kind heeft gekregen. Omdat de borstvoeding niet goed verliep, heeft appellant op aanraden van de thuiszorg een kolfapparaat gehuurd. Het bedrag dat op zijn rekening is gestort, betreft het borggeld dat appellant heeft ontvangen nadat hij het kolfapparaat heeft teruggebracht. Over de pinbetalingen in Amsterdam heeft appellant verklaard dat zijn vriendin daar woont, evenals zijn familie, zodat hij vaker in Amsterdam is dan in Almere.

1.5.

Bij besluit van 30 november 2012, gehandhaafd bij besluit van 21 december 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat niet kan worden vastgesteld dat appellant zijn woonadres heeft in Almere.

1.6.

Bij besluit van 3 december 2012, gehandhaafd bij besluit van 28 januari 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college de uitbetaalde voorschotten tot een bedrag van € 1.390,- van appellant teruggevorderd. Daaraan ligt ten grondslag dat na de verlening van de voorschotten is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 31 juli 2012 tot en met 30 november 2012.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.

Appellant betwist dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor de conclusie van het college dat niet is vast komen te staan dat appellant in de te beoordelen periode zijn woonadres had in Almere.

4.5.

Appellant heeft tijdens de hoorzitting op 24 januari 2013 verklaard: “Ik verblijf vaak in mijn vrije tijd in Amsterdam. (…) Ik ga ook vaak op vrijdagavond naar Amsterdam. Ik eet elk weekend bij mijn oma in Amsterdam, tweemaal per week. Ik slaap tweemaal per week bij mijn vriendin en kind in Amsterdam. Bij mijn moeder in Almere slaap en eet ik circa driemaal per week”. Mevrouw [P.], de moeder van appellant en ook aanwezig tijdens de hoorzitting, heeft verklaard dat ook zij vaak in Amsterdam verblijft in verband met de zorg voor haar moeder. Zij vertrekt dan op donderdagavond en verblijf daar tot en met het weekend. Appellant heeft betoogd dat aan deze verklaring niet de waarde kan worden gehecht die de rechtbank daaraan heeft toegekend. Deze verklaring, zoals neergelegd in bestreden besluit 1, is ten onrechte niet aan hem voorgelegd, aldus appellant. Appellant wordt daarin niet gevolgd. De Raad heeft eerder overwogen (uitspraak 17 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL8325) dat in artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) weliswaar de verplichting is opgenomen om een verslag van de hoorzitting te maken, maar dat er geen wettelijke verplichting is om het verslag van de hoorzitting aan een belanghebbende toe te zenden voor het nemen van een besluit op bezwaar. Voor zover appellant stelt dat aan de juistheid van de weergave van de verklaring moet worden getwijfeld, heeft hij die stelling niet met objectieve, verifieerbare gegevens onderbouwd. De in de beroepsfase door appellant overgelegde verklaring van zijn buren in Almere - met de strekking dat appellant zijn woonadres in Almere heeft - kan niet als een zodanige onderbouwing worden gezien. De verklaring van appellant op de hoorzitting dat hij driemaal per week slaapt en eet bij zijn moeder in Almere komt bovendien in essentie overeen met de in 1.4 vermelde schriftelijke verklaring van appellant dat hij vaker in Amsterdam is dan in Almere.

4.6.

Op grond van de verklaringen van appellant heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat appellant zijn woonadres in de Almere heeft. Gelet daarop en op wat in 4.2 is overwogen, is er geen grond voor het standpunt van appellant dat het college nader onderzoek had moeten doen en dat, nu dat is nagelaten, het college de afwijzing van de aanvraag en bestreden besluit 1 in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig heeft voorbereid.

4.7.

Tegen de terugvordering van de voorschotten zijn geen zelfstandige beroepsgronden gericht.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2015.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.L. Meijer

HD