Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
13-2590 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Appellant heeft zelf melding gemaakt van inwoning. Beroep op zesmaandenjurisprudentie faalt. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2590 WWB

Datum uitspraak: 14 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 april 2013, 12/6236 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 april 2015 heeft mr. M. Sloot, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Sloot. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% van het wettelijk minimumloon.

1.2.

Bij brief van 29 november 2011 heeft appellant het college in kennis gesteld van de omstandigheid dat een familielid, mevrouw [P.] (P), bij hem is komen inwonen. Het college heeft om die reden bij besluit van 29 augustus 2012 de toeslag van 20% vanaf

21 november 2011 herzien naar 10%. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 november 2012 heeft het college dat bezwaar ongegrond verklaard en appellant heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Naar aanleiding van de herziening als genoemd in 1.3 heeft het college bij besluit van

14 september 2012 de over de periode van 21 november 2011 tot en met 31 juli 2012 teveel gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.098,13 (netto) van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 7 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 september 2012, onder aanpassing van de periode waarover wordt teruggevorderd naar 21 november 2011 tot en met 31 mei 2012, ongegrond verklaard. Het terugvorderingsbedrag is vastgesteld op € 830,85.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar van appellant gegrond verklaard en bepaald dat haar uitspraak in plaats treedt van het bestreden besluit. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover hier nog van belang, overwogen dat het college het bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard aangezien appellant in bezwaar een beroep heeft gedaan op de zogenaamde zesmaandenjurisprudentie van de Raad en het college dat beroep heeft gehonoreerd. Hiermee is sprake van een aan het college te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan het college het bezwaar gegrond had moeten verklaren en de kosten van appellant voor de door hem ingeschakelde rechtsbijstand had moeten vergoeden. De rechtbank heeft daarin alsnog voorzien.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft ter zitting de kern van het hoger beroep als volgt samengevat. Het college had van terugvordering van de teveel betaalde toeslag moeten afzien omdat appellant uit eigen beweging heeft gemeld dat P bij hem is komen inwonen. Het college had die wijziging in de leefsituatie van appellant direct moeten doorvoeren, zodat ook geen terugvordering was ontstaan.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 24 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5014) is de bevoegdheid van het bijstandverlenend orgaan om onverschuldigd betaalde bijstand terug te vorderen in tijd beperkt indien dit orgaan niet adequaat reageert op signalen waaruit het kan afleiden dat het te veel of ten onrechte uitkering heeft verstrekt. Een signaal is in dit verband relevante informatie van de betrokkene waaruit het bijstandverlenend orgaan concreet kan afleiden dat sprake is van een fout op grond waarvan het actie dient te ondernemen. Na een dergelijk signaal heeft het bijstandverlenend orgaan nog zes maanden om tot deze actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden kan het dan geen gebruik maken van de bevoegdheid tot terugvorderen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel.

4.3.

In het onderhavige geval heeft het college naar aanleiding van het bezwaar van appellant de periode waarover teveel toeslag is betaald beperkt en in overeenstemming gebracht met de in 4.2 genoemde rechtspraak. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat bijzondere omstandigheden bestaan op grond waarvan het college in afwijking van die rechtspraak en op grond van zijn beleid geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van terugvordering van de over de eerste zes maanden ten onrechte verstrekte toeslag. De enkele omstandigheid dat het college de gewijzigde woonsituatie van appellant niet bij de eerstvolgende uitbetaling van de bijstandsuitkering heeft verwerkt, is daarvoor onvoldoende.

4.4.

Aan de omstandigheid dat appellant uit eigen beweging de wijziging in zijn woonsituatie aan het college heeft doorgegeven en dat hem in zoverre geen verwijt kan worden gemaakt, is het college voldoende tegemoet gekomen door van brutering van het terugvorderingsbedrag af te zien.

4.5.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2015.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.L. Meijer

HD