Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
14-3315 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:3467, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Kasstortingen en bijschrijvingen. Geen bewijs van schulden. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3315 WWB

Datum uitspraak: 14 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 mei 2014, 13/5404 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.E. Sondorp, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. K. Kuster, kantoorgenote van opvolgend advocaat mr. J.P. van der Voodt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Rolle.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt bijstand sinds 4 februari 2003, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Naar aanleiding van anonieme meldingen dat appellante onder meer zwart werkte, haar woning had onderverhuurd en dat zij haar inkomsten doorsluisde naar een andere bankrekening, heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam (ABO) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Daartoe heeft ABO onder andere bankafschriften bij appellante opgevraagd en hebben rapporteurs van ABO drie gesprekken met appellante gevoerd. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat in de periode van januari 2009 tot en met november 2012 vele malen per kas bedragen op de bankrekening van appellante zijn gestort en vele malen door derden bedragen op de bankrekening van appellante zijn bijgeschreven.

1.2.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 6 februari 2013 (besluit 1) de bijstand van appellante te herzien over de periode 1 januari 2009 tot en met 30 november 2012 en de over die periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.175,73 van appellante terug te vorderen op de grond dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van kasstortingen en bijschrijvingen van derden op haar bankrekening. Daarnaast heeft het college bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum (besluit 2) de bijstand van appellante over vier perioden in 2010 tot en met 2012 ingetrokken op de grond dat appellante langer dan toegestaan in het buitenland heeft verbleven en de kosten van bijstand over die perioden tot een bedrag van € 3.587,30 van appellante teruggevorderd. Bij een derde afzonderlijk besluit van 6 februari 2013 (besluit 3) heeft het college aan appellante met ingang van 1 februari 2013 een maatregel opgelegd van 100% voor de duur van één maand op de grond dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. De besluiten zijn na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2013 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep van appellante, zoals zij ter zitting heeft verklaard, zich niet richt tegen de handhaving van besluit 2. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat appellante wat betreft de bijschrijvingen niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit leningen zijn waarmee het college rekening had moeten houden. Ook heeft appellante onvoldoende duidelijkheid gegeven over de stortingen op haar rekening, zodat het college die stortingen als inkomsten mocht aanmerken. Vanwege de schending van de inlichtingenverplichting en de daarop volgende herziening en terugvordering was het college daarnaast bevoegd om de maatregel op te leggen, waarbij de rechtbank geen grond heeft gezien om te oordelen dat het college wegens dringende redenen van de terugvordering en de oplegging van de maatregel af had moeten zien.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante bestrijdt de herziening en terugvordering van de bijstand over de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 november 2012. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872) zijn kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB te beschouwen. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat de vele bijschrijvingen op haar bankrekening door

[A.], [B.K.] en [C.] leningen zijn die door haar moesten worden terugbetaald. Afgezien van de vraag of appellante aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van leningen, leidt de stelling van appellante dat sprake is van geleende bedragen die zij moet terugbetalen er op zichzelf niet toe dat daarmee met de bijstandverlening geen rekening kan worden gehouden. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de WWB niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraak van 4 maart 2014 ECLI:NL:CRVB:2014:705). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van appellante toeneemt, is - in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Het college heeft de veelvuldig terugkerende door deze drie personen bijgeschreven bedragen daarom, ongeacht de vraag of aannemelijk is gemaakt dat dit leningen zijn, als inkomsten van appellante mogen aanmerken.

4.3.

Over de vier bijschrijvingen door [B.] (B) heeft appellante aangevoerd dat dit bedragen zijn die zij in 2004 met werkzaamheden heeft verdiend en toen op de bankrekening van B heeft laten overmaken. Volgens appellante heeft B. deze bedragen vervolgens pas in 2009 en 2010 aan haar doorbetaald. Deze grond slaagt niet. Appellante heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd, zodat het college ook deze bedragen kon aanmerken als inkomsten die zien op de periode in geschil.

4.4.

Over de vele door het college gespecificeerde kasstortingen heeft appellante aangevoerd dat dit contant ontvangen leningen van haar moeder, door haar eerder teveel gepinde bedragen en door haar in winkels contant ontvangen bedragen van geretourneerde eerdere aankopen zijn. Deze gronden treffen geen doel. Gelet op 4.2 leidt het enkele feit dat het om leningen van de moeder van appellante zou gaan, niet tot het oordeel dat de ontvangen bedragen niet als inkomen zijn aan te merken. Voor het overige geldt dat, anders dan appellante heeft aangevoerd, uit de overgelegde bankafschriften en de door haar toenmalige gemachtigde aan de Raad toegezonden overzichten niet van een zodanige samenhang tussen opnames en stortingen blijkt, dat appellante daarmee haar stellingen aannemelijk heeft gemaakt. Tijdens de zitting heeft appellante daarnaast nog bevestigd dat zij niet over nadere stukken beschikt en zij de concrete door het college benoemde stortingen niet op een andere manier kan verklaren dan zij in deze procedure heeft gedaan.

4.5.

In hoger beroep heeft appellante een beroep gedaan op dringende redenen om van terugvordering af te zien. Van dringende redenen kan slechts sprake zijn als een terugvordering van gemaakte kosten van bijstand voor betrokkene onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Dat het, zoals appellante heeft aangevoerd, met bijstand erg moeilijk is en erg lang zal duren om het bedrag terug te betalen is onvoldoende om te spreken van dringende reden in hiervoor bedoelde zin.

4.6.

Tegen de opgelegde maatregel heeft appellante geen afzonderlijke gronden aangevoerd, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en

S. Hindriks-Roose als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2015.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD