Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2338

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
13-3013 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde aanvraag omdat geen sprake is geweest van oorlogsgebeurtenissen in de zin van die wet. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3013 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen:

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)

de Staat der Nederlanden, Ministerie van Veiligheid en Justitie (Staat)

Datum uitspraak: 9 juli 2015

PROCESVERLOOP

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat mede als partij aangemerkt.

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van de PUR van 7 mei 2013, kenmerk BZ01547857 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

De PUR heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. Voor appellante is

mr. Van Berkel verschenen. De PUR heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in 1937 geboren in het voormalig Nederlands-Indië. In 1986 en 2009 is afwijzend beslist op aanvragen om een uitkering op grond van de Wubo op de grond dat geen sprake is geweest van oorlogsgebeurtenissen in de zin van die wet. Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van februari 2010 heeft de PUR alsnog aanvaard dat appellante oorlogsgeweld in de zin van de Wubo heeft ondergaan, bestaande uit gevangenhouding in het Sampoernacomplex in Soerabaja en directe betrokkenheid bij een ontploffing in de Heerensteeg in Soerabaja tijdens de Bersiap-periode. Op het verzoek om een toeslag op grond van artikel 19 van de Wubo en voorzieningen is bij besluit van 18 mei 2010 afwijzend beslist op de grond dat de psychische klachten van appellante en de verwonding aan haar rechterarm niet hebben geleid tot blijvende invaliditeit. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

In juli 2012 heeft mr. Van Berkel namens appellante opnieuw verzocht om aanspraken op grond van de Wubo. Bij besluit van 31 oktober 2012 is hierop afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag een rapport van de geneeskundig adviseur A.J. Maas, arts, van 18 september 2012, die op grond van informatie van de huisarts van appellante, haar behandelend cardioloog en het ten behoeve van de aanvraag van februari 2010 uitgebrachte rapport van 6 april 2010 van de geneeskundig adviseur A.A. Coster, arts, heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een wijziging in de gezondheidssituatie. Het in bezwaar overgelegde rapport van de geneeskundig adviseur A.S.E.P. Textor, arts, dat in het kader van de beoordeling van aanspraken op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling (AOR) was uitgebracht, is beoordeeld door de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager, arts. Zij heeft in een rapport van 27 februari 2013 geconcludeerd dat er geen nieuwe gezichtspunten zijn die tot een ander oordeel met betrekking tot de invaliditeit kunnen leiden.

2.2.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van de onder 2.1 vermelde rapporten voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende medisch onderbouwd. Dat een persoonlijk onderhoud achterwege is gelaten was hier gezien alle voorhanden zijnde (ook recente) medische gegevens verantwoord. De geneeskundig adviseurs Textor en Coster hebben dezelfde diagnose gesteld. Door de geneeskundig adviseur Ohlenschlager is afdoende onderbouwd dat en om welke redenen in het kader van de Wubo de beperkingen van appellante niet zijn onderschat. De beperking in slapen levert, gezien de activiteiten van appellante, geen geringe tot matige beperking op in het dagelijks functioneren en de in het kader van de AOR aangenomen beperking in de rubriek concentratie komt voort uit onder meer de zorgvraag van haar dementerende echtgenoot en de non-causale cardiale problematiek. Van een beperking in het sociaal functioneren kan, gezien de inhoud van het rapport van Textor, niet meer worden gesproken. Nu verder de verwonding aan de rechterarm niet tot functionele beperkingen heeft geleid, is niet voldaan aan de criteria voor blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.

2.3.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. Namens appellante is verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.1.

In dit geval is sprake van een procedure in twee instanties, te weten bezwaar gevolgd door beroep in eerste en enige aanleg. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van

9 april 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179), is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee en een half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee en een half jaar geduurd, dan moet per instantie worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren.

3.2.

Zoals ter zitting besproken, is in dit geval de totale behandelingsduur langer geweest dan twee en een half jaar, maar korter dan drie jaar. Alleen in de rechterlijke fase heeft de behandeling langer geduurd dan gerechtvaardigd was. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,- ten laste van de Staat.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 500,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2015.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD