Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
14-424 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Onvoldoende onderzoek door het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/424 WIA

Datum uitspraak: 10 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 december 2013, 13/3059 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klijnstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1. Bij beslissing op bezwaar van 16 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit van 28 januari 2013 gehandhaafd, waarbij de WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) die appellant ontving met 25% is verlaagd over de periode van 1 februari 2013 tot en met 31 mei 2013. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft meegewerkt aan het opstellen van een in samenspraak met zijn jobcoach van het re-integratiebureau Dé Jobcoach (rib) tot stand gekomen re-integratieplan, omdat hij dit plan niet ondertekend retour heeft gezonden.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant het ondertekende re-integratieplan niet tijdig heeft teruggezonden en dat hem dat te verwijten valt. Met appellant was in het kader van de re-integratie de afspraak gemaakt dat hij het plan tijdig retour zou zenden. Nu appellant dit heeft nagelaten heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende verplichting mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden gericht op zijn inschakeling in de arbeid en was het Uwv mitsdien gehouden hiervoor een maatregel op te leggen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant in essentie gelijke gronden aangevoerd als in beroep. Het niet tekenen van het re-integratieplan kan niet gelijk gesteld worden aan niet meewerken aan re-integratie. De rechtbank heeft de aangevallen uitspraak ook niet goed gemotiveerd op dit punt. Appellant heeft wel meegewerkt aan re-integratie, want hij is steeds op de afspraken met de re-integratiecoach verschenen en hij heeft ook zelf telefonisch contact gezocht met de coach in verband met het verzoek tot ondertekening van het re-integratieplan. Uwv en rib hebben onvoldoende oog gehad voor de psychische beperkingen van appellant. Hij was bovendien door eerdere negatieve ervaringen met een ander re-integratiebureau argwanend geworden. Ter zitting van de Raad heeft appellant aanvullend betoogd dat sprake was van opstartproblemen en dat hij twijfelde aan eigen kunnen. Hij had aarzelingen om de arbeidsmarkt op te gaan. Gelet op dit alles was de maatregel niet evenredig aan de overtreding.

3.2.

Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad gesteld dat het besluit tot het opleggen van een maatregel is gegrond op artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 29, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat de verzekerde die recht heeft op een WGA-uitkering verplicht is in voldoende mate te trachten mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te behouden of te verkrijgen. In het tweede lid, aanhef en onder b, van dat artikel is bepaald dat de verzekerde, ter naleving van de in het eerste lid vermelde plicht, in elk geval verplicht is mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn inschakeling in de arbeid, die het Uwv wenselijk acht voor verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid.

4.1.2.

In artikel 88, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv een uitkering geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk weigert indien de verzekerde de verplichtingen bedoeld in artikel 29 niet of niet behoorlijk is nagekomen.

4.1.3.

Uit artikel 1, artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 6, vierde lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit Socialezekerheidswetten, volgt dat het Uwv in het hiervoor omschreven geval een maatregel oplegt van 25% van het uitkeringsbedrag gedurende vier maanden.

4.2.

De Raad zal eerst bezien of een maatregelwaardige situatie is ontstaan die eruit bestaat dat appellant onvoldoende heeft getracht mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te behouden of te verkrijgen.

4.3.

Ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In dit gaat het om een voor appellant belastend besluit. Dat betekent dat op het Uwv de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot het nemen van de maatregel over te gaan. Meer concreet betekent dat in dit geval dat het aan het Uwv is om aannemelijk te maken dat appellant onvoldoende heeft getracht mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te behouden of te verkrijgen. Het Uwv is daarin niet geslaagd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.

Het Uwv heeft zich bij de vaststelling van hetgeen is voorgevallen gebaseerd op schriftelijke en mondelinge informatie van de jobcoach van het rib over de periode van

10 oktober 2012 tot en met 4 januari 2013. Het Uwv heeft uit die informatie afgeleid dat het niet retour zenden van het ondertekende re-integratieplan belemmerend werkt op het

re-integratieproces van appellant. Appellant daarentegen heeft steeds betoogd dat hij wel wilde meewerken aan re-integratie maar dat hij aarzelingen had om de arbeidsmarkt op te gaan en dat hij bang was om gewekte verwachtingen niet na te kunnen komen. Zijn psychische gesteldheid en de - door appellant onderbouwde- negatieve ervaringen met een eerder re-integratiebureau hebben daar volgens appellant een rol bij gespeeld.

4.5.

Niet in geschil is dat appellant heeft meegewerkt aan de totstandkoming van het (concept)re-integratieplan en dat daarin wordt opgemerkt dat appellant het vertrouwen in instanties moet terugkrijgen. Verder staat vast dat appellant op 21 december 2012 nog contact heeft opgenomen met zijn jobcoach om met hem te praten over de inhoud en de ondertekening van het re-integratieplan. In het licht van deze omstandigheden en gelet op het betoog van appellant heeft het Uwv, door niet nader te informatie in te winnen naar de betekenis van het handelen van appellant in het licht van de re-integratiedoelstelling, maar te volstaan met de van het rib verkregen informatie en zich te verenigen met de betekenis die het rib daaraan gegeven heeft, niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht. In bezwaar heeft het Uwv dit gebrek niet voldoende gerepareerd zodat het bestreden bersluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend met als gevolg dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Omdat de onduidelijkheid die is blijven bestaan door het nalaten van het Uwv niet ten nadele van appellant mag worden uitgelegd, zal de Raad zelf in de zaak voorzien en het besluit van 28 januari 2013 herroepen.

5. Het Uwv zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar en op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 16 mei 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept het besluit van 28 januari 2013;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zovere in de plaats treedt van het besluit van 16 mei 2013;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.940,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant de in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.W. Schuttel en

G. van Zeben - de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) G.J. van Gendt

AP