Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2325

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
13-4270 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft zich niet zodanig gedragen, dat zij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen. Voor het opleggen van een maatregel bestond dan ook geen grondslag.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4270 WW

Datum uitspraak: 15 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van `

4 juli 2013, 12/2012 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2015. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is met ingang van 1 juni 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een arbeidsurenverlies van 36 uur per week. Met ingang van 20 juni 2011 is appellant op basis van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht in dienst getreden van [naam Stichting] (Stichting). Deze overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd en nadien verlengd. In artikel 4 van deze overeenkomst is onder meer bepaald dat appellante verplicht is gevolg te geven aan een oproep door de werkgever, dat de werkgever in beginsel uiterlijk 24 uur voordat de werkzaamheden aanvangen de oproep zal doen plaatsvinden, dat, indien de oproep pas plaatsvindt op de dag waarop de arbeid dient te worden verricht, appellante verplicht is gevolg te geven aan een oproep die vóór 09.00 uur wordt gedaan en dat oproepen, gedaan nà 09.00 uur mogen worden geweigerd, indien het niet mogelijk is op zo korte termijn met de arbeid aan te vangen. Appellante werkte voor de Stichting in een wisselend aantal uren, gemiddeld ongeveer 20 uur per week. Haar salaris bedroeg € 13,49 bruto per uur.

1.2.

Op 14 februari 2012 heeft appellante een sollicitatiegesprek gevoerd met [X], handelend onder de naam [naam Uitgeverij] ([naam Uitgeverij]). Dit gesprek heeft niet geleid tot een aanbod van [naam Uitgeverij] aan appellante en dus ook niet tot een arbeidsovereenkomst tussen appellante en [naam Uitgeverij]. Op 26 april 2012 heeft de werkcoach van appellante onder verwijzing naar dat gesprek aan het Uwv gemeld dat appellante heeft nagelaten passende arbeid te aanvaarden.

1.3.

Bij besluit van 27 april 2012 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd met ingang van 26 maart 2012. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 18 juli 2012 (bestreden besluit). Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante door haar eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen, zoals omschreven in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b ten tweede, van de WW. Aan het bestreden besluit ligt een op 4 juni 2012 telefonisch afgelegde verklaring ten grondslag van een medewerkster van het bureau dat appellante begeleidde bij haar re-integratie, die aanwezig was bij het sollicitatiegesprek. Volgens deze verklaring kwam appellante erg ongeïnteresseerd over en maakte zij negatieve opmerkingen over het werk, en zat deze medewerkster met plaatsvervangende schaamte naast appellante. Het Uwv heeft zich daarnaast gebaseerd op een telefonische verklaring van

[X] van 26 juni 2012, inhoudende dat met betrekking tot het aantal uren alles mogelijk was, zelfs een aanvulling tot 36 uur, en dat hij de houding van appellante tijdens het gesprek absoluut niet door de beugel vond gaan. Appellante was volgens hem niet flexibel en niet bereid om een oplossing te vinden voor de twee dienstverbanden naast elkaar. Hij heeft verklaard dat hij alleen vanwege de houding van appellante geen dienstverband met haar heeft willen aangaan.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat uit hetgeen door partijen naar voren was gebracht voldoende was gebleken dat de houding van appellante tijdens het sollicitatiegesprek zodanig is geweest, dat haar alleen al daarom geen aanbod tot passend werk is gedaan.

3.1.

Appellante heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep betwist. Appellante heeft naar voren gebracht dat zij tijdens het sollicitatiegesprek heeft geïnformeerd naar de inhoud van de werkzaamheden, naar de wijze waarop die gecombineerd zouden kunnen worden met haar werkzaamheden voor de Stichting, naar de hoogte van het salaris en naar de redenen van de veelvuldige domeinnaamswijzigingen van de werkgever. Zij heeft haar houding omschreven als kritisch, maar zeker niet als ongeïnteresseerd, inflexibel en negatief, zoals het Uwv heeft gesteld.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b ten tweede, van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt.

4.1.2.

Indien een werknemer de in 4.1.1 omschreven verplichting niet is nagekomen weigert het Uwv de uitkering op grond van artikel 27, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.

4.2.

Vast staat dat appellante geen concreet aanbod van passende arbeid heeft gehad. Het standpunt van het Uwv komt erop neer, dat appellante door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen, omdat het aan haar opstelling tijdens het sollicitatiegesprek op

14 februari 2012 is te wijten dat haar geen concreet werkaanbod is gedaan.

4.3.

Voor het antwoord op de vraag of de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten is de gang van zaken rond het sollicitatiegesprek van belang. Appellante heeft daarover het volgende naar voren gebracht.

4.3.1.

Appellante werd bij haar re-integratie begeleid door een medewerkster van een re-integratiebureau. Deze medewerkster heeft appellante op 9 februari 2012 telefonisch opgeroepen voor een sollicitatiegesprek bij [naam Uitgeverij] op 14 februari 2012, waarbij zij appellante informeerde over de naam van het bedrijf, het adres, de werktijden en het aangeboden salaris. Appellante heeft ter voorbereiding van het sollicitatiegesprek via het internet informatie over het bedrijf gezocht, maar die bleek niet beschikbaar, waarna zij navraag heeft gedaan bij de Kamer van Koophandel. Daarbij bleek haar dat het bedrijf op het genoemde adres niet was ingeschreven in het Handelsregister. Verder bleek dat de domeinnaam van het bedrijf in een paar maanden tijd dertien maal was veranderd en dat het aangeboden salaris van € 8,90 per uur ver onder dat van de Stichting lag.

4.3.2.

Appellante is samen met de medewerkster van het re-integratiebureau naar het sollicitatiegesprek gegaan. Het viel appellante op dat op of in het kantoor geen bedrijfsnaam was vermeld, dat de inrichting zeer schaars was en de verlichting slecht. Tijdens het gesprek heeft zij de in 3.1 genoemde onderwerpen ter sprake gebracht. Over de inpassing van de werkzaamheden met de oproepwerkzaamheden voor de Stichting zijn geen afspraken gemaakt, maar is het gebleven bij het verzoek van [X] aan appellante om te proberen bij de Stichting meer duidelijkheid te verkrijgen over de dagen waarop zij zou moeten werken. Wat betreft het salaris werd appellante gemeld dat daarover viel te praten. Het gesprek is geëindigd zonder concrete afspraken; appellante heeft daarna niets meer gehoord.

4.3.3.

Op de terugreis heeft appellante de medewerkster van het re-integratiebureau gezegd dat het werk haar niet zou meevallen, omdat er weinig afwisseling in zat. Zij is toen, noch op een later moment aangesproken op haar houding in het gesprek. Op verzoek van bedoelde medewerkster heeft appellante haar reactie op het sollicitatiegesprek vastgelegd in een

e-mailbericht van 24 februari 2012. Appellante heeft daarin te kennen gegeven dat het gesprek en de inrichting van het pand haar geen betrouwbare indruk gaven, dat in de afgelopen periode zeer frequent is gemuteerd met de domeinnaam, dat het aangeboden salaris onder het wettelijk minimumloon lag, dat het, kortom, voor haar een heel teleurstellende ervaring was die zij van een professionele organisatie niet had verwacht. Appellante heeft verder de hoop uitgesproken dat haar e-mailbericht als opbouwende kritiek wordt beschouwd. Appellante heeft hierop geen reactie ontvangen.

4.3.4.

Ongeveer twee maanden later is appellante opgeroepen voor een gesprek met haar werkcoach op 24 april 2012. In dat gesprek heeft de werkcoach appellante verteld dat hij van de medewerkster van het re-integratiebureau had vernomen dat appellante een passende baan had geweigerd. Volgens zijn informatie waren de uren en het uurloon bespreekbaar, kwam appellante in het gesprek heel ongeïnteresseerd over en had zij negatieve opmerkingen over de werkzaamheden gemaakt, zoals dat het werk haar niet zou meevallen omdat er weinig afwisseling in zat. Op 26 april 2012 heeft de werkcoach aan het Uwv gemeld dat appellante door haar opstelling en gedrag een passende baan heeft misgelopen en daarvoor een maatregel moet krijgen. Hierop heeft het Uwv de in 1.3 omschreven besluiten genomen.

4.4.

Uit de in 4.3.1 weergegeven activiteiten van appellante blijkt dat zij zich serieus heeft voorbereid op het sollicitatiegesprek. Het resultaat van appellantes informatievergaring en het feit dat zij verplichtingen had tegenover de Stichting die zich moeilijk lieten combineren met andere werkzaamheden, maken begrijpelijk dat appellante in het gesprek kritische vragen heeft gesteld en vooral duidelijkheid wilde hebben over de combinatie van twee dienstverbanden en over de hoogte van haar loon. Appellante heeft die punten terecht nadrukkelijk aan de orde gesteld. Haar is de gewenste duidelijkheid niet gegeven. Volstaan is met de mededeling dat alles mogelijk en bespreekbaar was. Een voorstel voor een oplossing is niet gedaan, noch is een afspraak gemaakt om verder te praten. Dat dit te wijten is aan de houding van appellante in het gesprek is niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar is er een duidelijke verklaring van de medewerkster van het re-integratiebureau, maar die verklaring is eerst ruim twee maanden later afgelegd en roept vragen op, omdat niet is in te zien waarom die medewerkster appellante, indien zij zich had gedragen zoals later verklaard, niet onmiddellijk na afloop van het sollicitatiegesprek, dan wel binnen enkele dagen daarna of na ontvangst van het e-mailbericht van appellante van 24 februari 2012, heeft aangesproken op haar gedrag tijdens dat gesprek. Dat had voor de hand gelegen en behoorde ook de taak van die medewerkster. De verklaring van de heer [X] rechtvaardigt evenmin de conclusie van het Uwv, nu daaruit niet blijkt op welke manier hij een oplossing dacht te kunnen vinden voor het combineren van een dienstverband bij hem met het oproepcontract van appellante met de Stichting. Door appellante te verzoeken om de Stichting om meer duidelijkheid te vragen is hij eraan voorbijgegaan dat appellante goede redenen had om de omvang van haar werkzaamheden bij de Stichting niet in gevaar te brengen, gezien het aanzienlijk hogere salaris dat zij daar verdiende. Daarbij is het verder ook nog de vraag hoe de Stichting appellante meer duidelijkheid had kunnen bieden over de momenten waarop haar aanwezigheid gewenst zou zijn, nu zij onder andere werd ingeschakeld bij kortdurende ziekte en buitengewoon verlof en deze zich naar hun aard niet of nauwelijks laten voorspellen.

4.5.

Uit het vorenstaande volgt dat appellante zich niet zodanig heeft gedragen, dat zij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen. Voor het opleggen van een maatregel bestond dan ook geen grondslag. Dit betekent dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 27, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en voor vernietiging in aanmerking komt. Ook de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, omdat daarbij het bestreden besluit ten onrechte in stand is gelaten. De Raad zal tevens het besluit van

27 april 2012 herroepen. Dit betekent dat de WW-uitkering van appellante met ingang van

26 maart 2012 alsnog moet worden uitbetaald, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

5. Er is tevens aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante heeft moeten maken. Appellante heeft in de procedure bij de rechtbank verzocht om een vergoeding van porto kosten, reiskosten en juridisch advies.

5.1.

Op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht komen de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor vergoeding door het Uwv in aanmerking. De portokosten en de kosten van juridisch advies komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het Besluit proceskosten bestuursrecht daartoe geen ruimte biedt. De reiskosten van appellante komen wel voor vergoeding in aanmerking. Deze worden begroot op € 13,14 te weten de kosten van openbaar vervoer van [woonplaats] naar Alkmaar.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 18 juli 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept het besluit van 27 april 2012;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente toe op de wijze als omschreven in overweging 5;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 13,14.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2015.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. van Rooijen

CVG