Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2313

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
13-4630 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verlies aan verdiencapaciteit is gewijzigd van 48,78% naar 49,13%. Het Uwv had om die reden het bezwaar van appellant gegrond moeten verklaren, het besluit van 17 augustus 2012 moeten herroepen en de kosten van bezwaar moeten vergoeden. De Raad voorziet zelf. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4630 WIA

Datum uitspraak: 10 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

11 juli 2013, 13/482 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M.S. Koot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft zijn zienswijze hierop gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eymael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als medewerker postkamer voor 40 uur per week, toen hij zich als gevolg van een scooterongeval met ingang van 28 juni 2010 ziek meldde met linker armklachten en later psychische problematiek. In het kader van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de verzekeringsarts beperkingen vastgesteld tot het verrichten van arbeid en deze vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellant is aangewezen geacht op weinig stresserend werk. Verder dienen in verband met klachten van duizeligheid en wegvallen ingewikkelde persoonlijke contacten vermeden te worden evenals werk op gevaarlijke plaatsen. Voorts heeft de verzekeringsarts een urenbeperking van gemiddeld ongeveer vier uur per dag en 20 uur per week aangewezen geacht. Vervolgens is bij arbeidskundig onderzoek het verlies aan verdienvermogen vastgesteld op 48,78%. Bij besluit van

17 augustus 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 25 juni 2012 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering.

1.2.

In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de lichamelijke en psychische klachten. Hij is van oordeel volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn en in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). Appellant stelt voortdurend duizelig te zijn en dagelijks twee tot drie aanvallen te hebben waarbij hij valt. Door hem gebruikte medicatie beïnvloedt het reactievermogen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een rapport van GGZ inGeest van

30 oktober 2012 overgelegd. Verder zijn de geduide functies volgens appellant niet passend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft te kennen gegeven dat geen sprake is van een situatie van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, omdat een depressie en een somatoforme stoornis behandelbare aandoeningen zijn. Uit de informatie van de psychiater van 30 oktober 2012 volgt evenmin dat verbetering van de belastbaarheid uitgesloten is, zodat van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid geen sprake is. Wel acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant mede op basis van informatie van de behandelende sector meer beperkt dan door de verzekeringsarts is aangenomen. Zo heeft hij in de FML een aanvullende beperking opgenomen op de aspecten vasthouden van de aandacht, herinneren en vervoer en appellant aangewezen geacht op routinematige arbeid. Appellant wordt geschikt geacht voor parttime, fysiek en psychisch niet te belastende arbeid. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een aantal van de voorgehouden functies laten vervallen en een tweetal nieuwe functies daarvoor in de plaats gesteld. Het verlies aan verdienvermogen is vastgesteld op 49,13%. Bij besluit van 6 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant aangevoerd dat het Uwv met de wijziging van de FML niet voldoende met de gestelde beperkingen rekening heeft gehouden en dat het Uwv heeft verzuimd de nader voorgehouden functies met appellant te bespreken. Verder heeft appellant aangevoerd dat het Uwv het bezwaar gegrond had moeten verklaren en tot vergoeding van de kosten in bezwaar had moeten overgaan.

3.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Uwv het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.2.

De rechtbank heeft - onder verwijzing naar het onderzoek van de verzekeringsartsen - geen aanleiding gezien de medische grondslag van het bestreden besluit onzorgvuldig te achten, dan wel die grondslag voor onjuist te houden.

3.3.

Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht waarom de geselecteerde functies ondanks de gesignaleerde overschrijdingen voor appellant als passend kunnen worden aangemerkt. De omstandigheid dat de nieuw geduide functies niet met appellant besproken zijn maakt de beoordeling door het Uwv volgens de rechtbank niet onzorgvuldig, omdat het een einde wachttijd beoordeling betreft waarbij aanzegging van functies niet aan de orde is.

3.4.

Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit geen wijziging heeft gebracht in de vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse. Daarmee is geen wijziging ontstaan in het rechtsgevolg. Gegrondverklaring van het beroep en een kostenveroordeling in bezwaar zijn volgens de rechtbank dan ook niet aan de orde.

4. In hoger beroep heeft appellant de eerder aangevoerde gronden in essentie herhaald. Verder is aangevoerd dat appellant voor de klachten van het plotseling optredende bewustzijnsverlies is doorverwezen naar het epilepsiecentrum. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nadere stukken met betrekking tot een letselschadezaak overgelegd.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

De rechtbank heeft met juistheid de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 29 november 2012 de in het dossier aanwezige informatie van de behandelende sector vermeld en kenbaar meegewogen. De informatie van psychiater J.M.C. van Dam van 28 maart 2012 en 5 april 2012 is voor de bezwaarverzekeringsarts aanleiding geweest om in de FML aanvullende beperkingen op te nemen. In de beschikbare medische gegevens wordt geen aanleiding gezien om appellant te volgen in diens stelling dat hij in aanmerking dient te komen voor een

IVA-uitkering. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant niet als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt kan worden aangemerkt, wordt juist geacht. Ten aanzien van de door appellant genoemde wegrakingen wordt overwogen dat met de duizeligheidsklachten rekening is gehouden bij het vaststellen van de beperkingen, ondanks dat neurologisch geen verklaring kon worden gevonden. De door appellant in hoger beroep overgelegde medische stukken, waarbij het gaat om een rapport van de medisch adviseurs

drs. A.M.J. Vila Wittenberg en drs. O.A.W. van den Heijden van 7 augustus 2013 en om een vraagstelling aan psychiater mr. drs. J. Groenendijk van 23 februari 2015, maken de beoordeling niet anders. In dit verband wordt overwogen dat geen aanleiding wordt gezien het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, als verwoord in het rapport van 25 maart 2015, dat die informatie overeenstemt met zijn bevindingen, voor onjuist te houden.

5.3.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat appellant in staat kan worden geacht de hem in bezwaar voorgehouden functies te vervullen.

5.4.

Vastgesteld wordt dat in bezwaar met een wijziging van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies het verlies aan verdiencapaciteit is gewijzigd van 48,78% naar 49,13%. Het Uwv had om die reden het bezwaar van appellant gegrond moeten verklaren, het besluit van 17 augustus 2012 moeten herroepen en de kosten van bezwaar moeten vergoeden. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2512. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

5.5.

De Raad ziet, gezien hetgeen onder 5.4 is overwogen, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de mate van arbeidsongeschiktheid en de verdiencapaciteit van appellant worden vastgesteld op onderscheidenlijk 49,13% en € 851,73.

6. Gelet op rechtsoverwegingen 5.4 en 5.5 bestaat aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de kosten van het bezwaar en vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep. De kosten van bezwaar worden begroot op 2 x € 490,- = € 980,- (indiening bezwaarschrift en bijwonen zitting). De proceskosten van beroep worden bepaald op 2 x € 490,- = € 980,- (indiening beroepschrift en bijwonen zitting). De kosten van het hoger beroep worden eveneens vastgesteld op € 980,-, in verband met de indiening van het hoger beroepschrift en het bijwonen van de zitting.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 6 december 2012 gegrond, en vernietigt dat besluit voor zover het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2012 ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2012 gegrond

  • -

    herroept het besluit van 17 augustus 2012;

  • -

    bepaalt dat de mate van arbeidsongeschiktheid en de resterende verdiencapaciteit worden vastgesteld op 49,13% en € 851,73;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het desbetreffende onderdeel van het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.940,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 42,- en € 118,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.W. Schuttel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) G.J. van Gendt

sg