Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2311

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
19-07-2015
Zaaknummer
13-229 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WAO-uitkering. Ter zitting van de Raad is van de zijde van het Uwv nader betoogd dat de uitkomst van het bestreden besluit nog steeds juist is, ook als tot uitgangspunt zou worden genomen dat het bedrag van € 70,- een forfaitaire onkostenvergoeding betreft die voor de toepassing van artikel 44 van de WAO niet als inkomsten uit arbeid mag worden aangemerkt. Bij het bestreden besluit is immers terecht rekening gehouden met het bedrag van € 16,93, zijnde de werkgeversbijdrage in de premie van de aanvullende ziektekostenverzekering van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/229 WAO

Datum uitspraak: 10 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van

7 december 2012, 11/1591 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R. Dill, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dill. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt sinds 20 mei 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Vanaf 14 oktober 1996 geniet appellant inkomsten in verband met zijn lidmaatschap van de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht.

1.2.

Bij besluit van 14 juni 2011 heeft het Uwv, met toepassing artikel 44 van de WAO wegens de in verband met het lidmaatschap van de gemeenteraad genoten inkomsten, met ingang van 1 april 2011 de uitbetaling van de WAO-uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%, waarbij een uitkeringspercentage hoort van 50,75.

1.3.

Bij afzonderlijk besluit van 14 juni 2011 heeft het Uwv de over de periode van

1 april 2011 tot en met 31 mei 2011 onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 848,68.

1.4.

Bij besluit van 7 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv - onder gegrondverklaring van de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 14 juni 2011 - besloten de toepassing van artikel 44 van de WAO te laten ingaan met ingang van 1 juni 2011. Aan het bestreden besluit ligt, voor zover van belang, het standpunt ten grondslag dat bij de toepassing van artikel 44 van de WAO dient te worden uitgegaan van het door de werkgever aan de belastingdienst opgegeven sv-loon. Dit sv-loon bestaat uit:

- bruto salaris € 425,--

- pc/internetvergoeding € 70,--

- werkgeversbijdrage aanvullende ziektekostenverzekering € 16,93

Totaal derhalve: € 511,93.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv bij de berekening van de hoogte van de WAO-uitkering terecht is uitgegaan van de - onder 1.4 vermelde - in de polisadministratie opgenomen gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank faalt het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel voor zover het betreft de toepassing van artikel 44 van de WAO met ingang van 1 juni 2011, omdat aan de door het bestuursorgaan in het verleden gemaakte fouten niet een rechtens te honoreren vertrouwen kan worden ontleend voor de toekomst.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het bij de door hem - naast de maandelijkse vergoeding als gemeenteraadslid (van € 425,-) en vaste onkostenvergoeding van € 102,11 - ontvangen bedragen van € 70,- en € 16,93 gaat om forfaitaire vergoedingen. Het bedrag van € 70,- dient ter bestrijding van de kosten van abonnementskosten van een internetverbinding (€ 40,-) en PC-kosten (€ 30,-). Het bedrag

van € 16,93 is een werkgeversbijdrage in de premie van een aanvullende ziektekostenverzekering. Deze vergoedingen mogen bij de toepassing van artikel 44 van de WAO geen rol spelen. Ook heeft appellant benadrukt dat hij richting het Uwv steeds transparant is geweest en zijn inkomsten correct heeft opgegeven. De korting op zijn

WAO-uitkering per 1 juni 2011 is dan ook niet terecht.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van de Raad is van de zijde van het Uwv nader betoogd dat de uitkomst van het bestreden besluit nog steeds juist is, ook als tot uitgangspunt zou worden genomen dat het bedrag van € 70,- een forfaitaire onkostenvergoeding betreft die voor de toepassing van artikel 44 van de WAO niet als inkomsten uit arbeid mag worden aangemerkt. Bij het bestreden besluit is immers terecht rekening gehouden met het bedrag van € 16,93, zijnde de werkgeversbijdrage in de premie van de aanvullende ziektekostenverzekering van appellant.

4.2.

Dit betoog slaagt. Uitgangspunt is dat slechts een onkostenvergoeding die wordt verstrekt ter dekking van daadwerkelijke in verband met de te verrichten arbeid te maken kosten, niet in het kader van artikel 44 van de WAO als inkomsten uit arbeid wordt beschouwd. De hier aan de orde zijnde werkgeversbijdrage in de premie van de aanvullende ziektekostenverzekering van appellant voldoet niet aan deze maatstaf. De kosten van een aanvullende ziektekostenverzekering vloeien immers rechtstreeks voort uit de beslissing van appellant een dergelijke verzekering te sluiten en staan aldus niet in verband met zijn raadslidmaatschap.

4.3.

Van de zijde van het Uwv is ter zitting voorgerekend dat, uitgaande van een maatmaninkomen van € 2.174,07 en een bedrag aan voor de toepassing van artikel 44 van de WAO in aanmerking te nemen inkomsten uit arbeid van (€ 425,- + € 16,93 =) € 441,93, de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 juni 2011 dient te worden vastgesteld op 79,67%, dus in de klasse 65-80%, waarbij een uitkeringspercentage hoort van 50,75. De uitkomst van deze berekening is door appellant niet bestreden en acht de Raad ook niet onjuist.

4.4.

Dan resteert nog een beoordeling van het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel.

4.4.1.

Appellant heeft in dit verband gewezen op zijn aan de afdeling WAO van het Uwv te Rotterdam gerichte brieven van 9 februari 2011 en 9 maart 2011. In deze overigens gelijkluidende brieven staat het volgende:

(…) Graag zou ik willen weten met welk bedrag (indexcijfer) de door mij te ontvangen raadsvergoeding per 1 januari 2011 maximaal mag worden verhoogd (Rekening houdend met een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%)?

Voor 2010 was dat vastgesteld op € 400,00 (bruto) per maand, (…).”

Bij brief van 21 maart 2011 heeft het Uwv het volgende aan appellant bericht:

(…) Naar aanleiding van uw schriftelijk verzoek d.d. 9 februari 2011, kunnen wij u mededelen dat u ingaande 1 januari 2011 maximaal € 425,00 per maand inclusief toeslagen en eventueel vakantiegeld kan verdienen om in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid te blijven.

Wij verzoeken u zodra uw loon hoger is dan € 425,00 om direct een kopie loonstrook naar ons toe te zenden. (…)

Bij brief van 26 mei 2011 heeft appellant het Uwv geïnformeerd dat zijn raadsvergoeding per 1 januari 2011 is gewijzigd naar € 425,- per maand.

4.4.2.

Appellant heeft zich in zijn vraagstelling aan het Uwv beperkt tot de hoogte van zijn reguliere raadsvergoeding. De werkgeversbijdrage in de premie van zijn aanvullende ziektekostenverzekering heeft hij niet vermeld. Reeds hierom kan uit deze briefwisseling niet worden geconcludeerd dat het Uwv het bestreden besluit heeft genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.W. Schuttel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) G.J. van Gendt

sg