Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2309

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
19-07-2015
Zaaknummer
13-3878 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking AOW-uitkering en AIO-aanvulling. Geconcludeerd moet worden dat in het geval van appellant de Svb niet op goede gronden heeft kunnen besluiten dat (ten tijde van belang) sprake was van het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende maatregel of straf. Dit betekent dat de Svb ten onrechte het ouderdomspensioen en de AIO-aanvulling van appellant met ingang van 1 juli 2011 heeft beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3878 AOW

Datum uitspraak: 10 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 juni 2013, 12/920 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Serrarens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Serrarens. Namens de Svb is verschenen mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant, geboren op 12 juni 1943, heeft de Svb met ingang van juni 2008 op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) een ouderdomspensioen toegekend. De Svb heeft dit ouderdomspensioen op grond van het per 1 juli 2009 in werking getreden artikel 8b van de AOW ingetrokken, omdat appellant vanaf februari 2006 tot 1 oktober 2010 rechtens zijn vrijheid was ontnomen door de daartoe bevoegde Belgische autoriteiten.

1.2.

Na zijn invrijheidstelling door de Belgische autoriteiten is appellant teruggekeerd naar zijn woonplaats in Nederland. De Svb heeft vervolgens opnieuw een ouderdomspensioen aan appellant toegekend.

1.3.

Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft de Svb het ouderdomspensioen en de aan appellant toegekende aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) per 1 juli 2011 ingetrokken. Tevens is bij dat besluit bepaald dat appellant het in de periode 1 juli 2011 tot en met september 2011 ontvangen ouderdomspensioen en AIO-aanvulling niet behoeft terug te betalen. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant zich onttrekt aan de ten uitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, en volgens door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) verstrekte gegevens ten minste sinds 31 december 2010 voortvluchtig is.

1.4.

Namens appellant is tegen het besluit van 21 oktober 2011 bij de Svb bezwaar gemaakt op de grond dat hij ten tijde van belang niet voortvluchtig was. Verder heeft appellant zich op 14 november 2011 bij de bevoegde Nederlandse autoriteiten gemeld en heeft hij van

30 november 2011 tot en met 12 december 2011 in het penitentiair ziekenhuis te Arnhem een vrijheidsstraf ondergaan.

1.5.

Bij brief van 31 januari 2012 heeft het CJIB aan de Svb nadere informatie verschaft over de ten tijde van belang openstaande vrijheidsstraf van appellant. Volgens deze informatie is appellant op 26 juli 2005 door de politierechter te Maastricht op tegenspraak veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen en is die veroordeling op 10 augustus 2005 onherroepelijk geworden. Appellant heeft van 28 november 2006 tot en met 14 november 2011 gesignaleerd gestaan in het opsporingsregister. Hij was daarin opgenomen, omdat hij wel in de Gemeentelijke basisadministratie was ingeschreven (thans basisregistratie persoonsgegevens), maar niet op dat adres woonachtig was. De politie heeft appellant daar niet kunnen vinden.

1.6.

Bij besluit van 15 april 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

1.7.

Bij besluit van 18 april 2012 heeft de Svb bepaald dat appellant met ingang van november 2011 weer recht heeft op ouderdomspensioen en de AIO-aanvulling op de grond dat appellant met ingang van 14 november 2011 niet langer voortvluchtig is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich opnieuw en nader onderbouwd op het standpunt gesteld dat hij ten tijde van belang niet voortvluchtig was.

4.1.

De Raad oordeelt als volgt.

4.2.

Met ingang van 1 januari 2011 is artikel 8c van de AOW in werking getreden. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het recht op ouderdomspensioen eindigt, indien de pensioengerechtigde zich, nadat het recht op ouderdomspensioen is ingegaan, onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Na artikel 64 van de AOW was een overgangsregeling ingevoegd, volgens welke van de persoon die reeds in het genot was van een ouderdomspensioen voorafgaande aan 1 januari 2011, en die zich op die dag onttrok aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, het pensioen per 1 juli 2011 werd ingetrokken. In de Wet werk en bijstand zijn sindsdien soortgelijke bepalingen opgenomen.

4.3.

In de uitspraak van de Raad van 9 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY3507) is geoordeeld dat onder ‘zich onttrekken’, is te verstaan de situatie waarin een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel nog niet ten uitvoer is gelegd, de veroordeelde in verband daarmee in het opsporingsregister is opgenomen en door Justitie inmiddels tevergeefs één of meer pogingen zijn ondernomen tot tenuitvoerlegging van de straf of maatregel. De Svb dient aannemelijk te maken dat sprake is van een zodanige situatie en mag daarbij in beginsel afgaan op informatie van het CJIB.

4.4.

Aan appellant is na zijn invrijheidstelling per 1 oktober 2010 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW en tevens een AIO-aanvulling toegekend. De regeling die opgenomen is in artikel 8c van de AOW is per 1 januari 2011 in werking getreden. De Raad is van oordeel dat in dit geval, waarbij het recht op ouderdomspensioen is ingegaan vóór de invoering van artikel 8c van de AOW, welke regeling een vergaand gevolg verbindt aan het zich onttrekken aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbeperkende maatregel, met welk gevolg appellant voorheen geen rekening hoefde te houden, de vereiste zorgvuldigheid met zich brengt dat de vaststelling dat appellant zich ten tijde van de inwerkingtreding van deze regeling onttrok aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel, berust op actuele gegevens ten aanzien van (het voortduren van) het zich onttrekken. Niet in geschil is dat de Svb het bestreden besluit in het voetspoor van het CJIB enkel baseert op gegevens en uitvoeringshandelingen uit 2005 en 2006. Vaststaat verder dat de vaste woon- of verblijfplaats van appellant ten tijde van belang wederom in overeenstemming was met de basisregistratie persoonsgegevens en aan de Svb bekend was. Niet is gebleken van redenen die in de weg stonden aan een nadere poging tot tenuitvoerlegging van de op 26 juli 2005 door de politierechter te Maastricht opgelegde vrijheidsstraf (vergelijk de uitspraken van de Raad van 18 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2527 en 3 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3259).

4.5.

Geconcludeerd moet worden dat in het geval van appellant de Svb niet op goede gronden heeft kunnen besluiten dat (ten tijde van belang) sprake was van het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende maatregel of straf. Dit betekent dat de Svb ten onrechte het ouderdomspensioen en de AIO-aanvulling van appellant met ingang van 1 juli 2011 heeft beëindigd.

4.6.

Uit wat hiervoor is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep van appellant slaagt.

5. Er is aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep, tezamen € 2.940,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 april 2012;

- herroept het besluit van 21 oktober 2011;

- veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.940,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en F.J.L. Pennings en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2015.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) N. van Rooijen

AP