Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
19-07-2015
Zaaknummer
14-1715 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft terecht geen reden gezien om de beoordeling door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep als onzorgvuldig of onvoldoende aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1715 WIA

Datum uitspraak: 3 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 februari 2014, 13/691 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.H. Stibbe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden, waarop het Uwv zijn zienswijze heeft gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Stibbe en M. Essebai, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft zich met ingang van 7 maart 2010 ziek gemeld voor zijn arbeid als schoonmaker vanwege psychische en fysieke klachten als gevolg van een aanrijding. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv, na een medisch en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 5 juli 2012 vastgesteld dat voor appellant geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat hij met ingang van 4 maart 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2.

In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat het Uwv met name onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische klachten. In dat verband heeft appellant een brief van GGZ inGeest van 26 juli 2012 overgelegd. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat het Uwv ook zijn fysieke klachten heeft onderschat, waarbij hij onder meer heeft verwezen naar een brief van de internist-infectioloog van 20 september 2012 en een brief van de oogarts van
7 december 2012.

1.3.

Na de hoorzitting heeft psychiater dr. P.L. Remijnse op verzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv een expertise verricht en hiervan op 5 december 2012 rapport uitgebracht. Remijnse heeft als diagnose gesteld een aanpassingsstoornis met angstige en depressieve kenmerken. Differentiaal diagnostisch heeft hij melding gemaakt van een depressie NAO.

1.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het rapport van Remijnse in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een aanvullende beperking opgenomen voor conflicthantering en nachtdiensten. Na onderzoek door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, waarbij deze tot de conclusie is gekomen dat de eerder voorgehouden functies geen bijstelling behoefden, heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 4 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant aanvullende medische stukken overgelegd, waaronder een rapport van 17 mei 2013 van AIOS psychiatrie drs. L.F.M. Baars en psychiater dr. A.C.M. Vergouwen, dat is opgemaakt naar aanleiding van een opname van appellant op de psychiatrische afdeling van het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis (SLAZ) te [woonplaats] van 29 januari 2013 tot en met 22 februari 2013.

2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft het rapport van Baars en Vergouwen voorgelegd aan Remijnse en, onder verwijzing naar diens reactie daarop, het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien om de beoordeling door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep als onzorgvuldig of onvoldoende aan te merken. De rechtbank heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende onderbouwing aangetroffen voor zijn stelling dat op 4 maart 2012 sprake was van een ernstige persoonlijkheidsstoornis, die zou moeten leiden tot andere dan de reeds aangenomen beperkingen. De rechtbank heeft in de observaties van het SLAZ geen aanwijzingen gevonden voor de diagnose depressieve stoornis. Ook volgens Remijnse is niet zozeer sprake van een (ernstige) psychiatrische stoornis, als wel dat appellant vereenzaamd en geïsoleerd is. De rechtbank heeft de opmerking van Remijnse dat de prognose betrekkelijk ongunstig is zo begrepen dat de stoornis als zodanig niet ernstig is, maar dat de omstandigheid dat deze in stand wordt gehouden door het ontbreken van een steunsysteem niet gunstig is. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag en de voorgehouden functies in medisch opzicht passend geacht.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij in de observaties van het SLAZ geen aanwijzingen heeft gevonden voor de diagnose depressieve stoornis. Hij heeft daarbij verwezen naar het rapport van Baars en Vergouwen van 17 mei 2013 en naar een op zijn verzoek door psychiater J.N. Velleman verrichte expertise, waarvan deze op 19 februari 2015 verslag heeft gedaan. Voorts heeft appellant evenals in beroep gewezen op de opmerking van Remijnse over de prognose. Volgens appellant heeft de rechtbank deze opmerking verkeerd geïnterpreteerd.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. In het expertiseverslag van Velleman heeft het Uwv geen aanleiding gezien voor een ander standpunt. Hij heeft daartoe verwezen naar de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 mei 2015 op het verslag van Velleman.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De discussie tussen partijen heeft zich met name geconcentreerd op de vraag of bij appellant op de datum in geding, 4 maart 2012, sprake was van een depressieve stoornis. Benadrukt wordt echter dat volgens vaste rechtspraak van de Raad - kort gezegd - niet de diagnose, maar de vastgestelde geobjectiveerde beperkingen doorslaggevend zijn bij het opstellen en beoordelen van de voor appellant geldende FML, waarbij wordt aangetekend dat binnen het kader van het verzekeringsgeneeskundige onderzoek een diagnose wel behulpzaam kan zijn bij het vinden van een antwoord op de vraag in welke richting de te objectiveren beperkingen gezocht kunnen worden (ECLI:NL:CRVB:2010:BO5408). Waar in het navolgende aandacht wordt besteed aan de gestelde diagnoses moet dit dan ook in dit licht worden beschouwd.

5.2.

De rechtbank heeft terecht geen reden gezien om de beoordeling door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep als onzorgvuldig of onvoldoende aan te merken.
De verzekeringsarts heeft appellant onderzocht en informatie opgevraagd bij de huisarts alvorens een FML op te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de hoorzitting bijgewoond, appellant onderzocht, kennis genomen van informatie van GGZ inGeest, SLAZ, internist, oogarts en het op zijn verzoek door Remijnse uitgebrachte rapport en al deze informatie op kenbare wijze in zijn beoordeling betrokken. Het rapport van Remijnse is inzichtelijk en begrijpelijk en er bestaat dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het Uwv de daarin neergelegde conclusies niet heeft mogen volgen. De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op psychisch vlak gestelde beperkingen zijn in overeenstemming met de bevindingen van Remijnse. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de opmerking van Remijnse over de prognose moet worden gezien in het licht van het ontbreken van een steunsysteem.

5.3.

Het door appellant overgelegde expertiseverslag van Velleman geeft om de navolgende redenen geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van Remijnse en de daaraan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep verbonden conclusies.

5.3.1.

Allereerst is van belang dat Velleman het rapport van Remijnse als helder en goed typeert en vaststelt dat de bevindingen van Remijnse in grote lijnen overeenkomen met die van hem.

5.3.2.

Ten tweede is het zo dat waar Velleman kanttekeningen maakt bij de door Remijnse gestelde diagnose hij zich baseert op de systematiek van en de omschrijvingen uit het classificatiesysteem DSM-V, waarin, naar hij zelf stelt, de diagnostiek ten aanzien van persoonlijkheidsstoornissen is herzien en aangepast. Remijnse is echter uitgegaan van de vorige versie van DSM, DSM-IV-TR, zodat de kanttekeningen van Velleman niet goed te vertalen zijn naar het rapport van Remijnse.

5.3.3.

Ten derde lijkt Velleman onder het kopje “vraag 1” te veronderstellen dat door het Uwv in het voetspoor van Remijnse is ontkend dat sprake is van een psychiatrische stoornis. Naar de verzekeringsarts bezwaar en beroep echter in zijn rapport van 21 mei 2015 terecht heeft opgemerkt is het Uwv er in navolging van Remijnse niet van uitgegaan dat in het geheel geen sprake was van een psychiatrische stoornis, maar dat geen sprake was van een ernstige psychiatrische stoornis. Voor een deel lijkt de kritiek van Velleman op het rapport van Remijnse dus terug te voeren op een misverstand.

5.3.4.

Ten vierde stelt Velleman dat appellant momenteel, dus naar moet worden aangenomen op datum van zijn verslag, 19 februari 2015, niet belastbaar is voor arbeid. Voor deze zaak is echter van belang de situatie op de datum in geding, 4 maart 2012, dus bijna drie jaar eerder. Dit is temeer van belang nu Velleman in zijn verslag beschrijft dat de vier jaar geleden ingezette behandelingen volgens hem sub-standaard waren en zeer waarschijnlijk mede hebben geleid tot progressieve, erger wordende symptomen, ontwikkeling en fixering van de problematiek. De conclusie van Velleman dat appellant in februari 2015 niet belastbaar is voor arbeid kan dan ook niet zonder overtuigende onderbouwing geëxtrapoleerd worden naar de datum in geding. Vastgesteld wordt dat die overtuigende onderbouwing ontbreekt.

5.4.

De stelling van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn voor de diagnose depressieve stoornis wordt niet gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 4 oktober 2013 terecht gesteld dat psychiater Vergouwen geen melding heeft gemaakt van zaken die passen bij een dergelijk ziektebeeld, zoals initiatiefverlies, geremdheid en cognitieve functiestoornissen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat met de genoemde klachten van angst en depressiviteit bij het vaststellen van de beperkingen in de FML rekening is gehouden, en dat de daaraan gekoppelde diagnose voor het vaststellen van de belastbaarheid minder relevant is. Ook de door de huisarts vermelde diagnoses maakt de beoordeling niet anders, nu deze zien op een datum ruim na de nu in geding zijnde datum.

5.5.

Geconcludeerd wordt dat in de beschikbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat de beperkingen van appellant per 4 maart 2012 zijn onderschat. Met de rechtbank wordt dan ook geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag en worden de voorgehouden functies in medisch opzicht passend geacht.

5.6.

Hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.5 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2015.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) I. Mehagnoul

AP