Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
19-07-2015
Zaaknummer
14-124 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitgering. Geschiktheid eigen arbeid. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellante op de datum in geding. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 juni 2013 gemotiveerd heeft uiteengezet dat de gestelde psychische klachten niet worden ondersteund met medisch objectiveerbare gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/124 ZW

Datum uitspraak: 1 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

11 december 2013, 13/5973 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.M. van Rooij-Houweling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.J.A. Boere. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr.dr. J.H. Ermers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als administratief medewerkster toen zij op 1 maart 2012 uitviel wegens psychische klachten en klachten aan nek en schouders.

1.2.

Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante diverse keren het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. In zijn rapport van het spreekuurbezoek op 7 maart 2013 heeft de verzekeringsarts overwogen dat appellante per diezelfde datum in staat moet worden geacht haar arbeid te verrichten.

1.3.

Bij besluit van 7 maart 2013 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per diezelfde datum beëindigd. Tegen deze beslissing heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.4.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 13 juni 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 juni 2013 ten grondslag.

2.1.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig te achten. Uit diens rapport van 12 juni 2013 blijkt dat hij appellante heeft gezien en onderzocht. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep medische informatie ingewonnen bij de huisarts en dossierstudie verricht.

2.2.

Over de psychische klachten heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport heeft opgetekend dat bij appellante geen sprake is van een depressieve stemming en dat zij ook geen stoornissen heeft in de aandacht, bij de concentratie en in het geheugen. Voor deze klachten ontbreekt een medische onderbouwing. Naar het oordeel van de rechtbank levert het rapport van de behandelend psycholoog N. Zantman van

28 oktober 2013 geen indicatie op dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de (psychische) belastbaarheid van appellante op de datum in geding, voor onjuist moet worden gehouden.

2.3.

Over de gestelde lichamelijke klachten heeft de rechtbank met een verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 juni 2013 geoordeeld dat daarvoor een medisch objectiveerbaar substraat ontbreekt. Pijn en pijnbeleving zijn bij uitstek subjectieve en individuafhankelijke factoren die daarom geen leidraad kunnen zijn bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van het Uwv is genomen in strijd met het recht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Voorts heeft appellante gesteld dat uit het rapport van psycholoog Zantman van 28 oktober 2013 blijkt dat zij niet in staat is om haar arbeid te verrichten. Daarnaast heeft appellante naar voren gebracht dat de rechtbank heeft nagelaten haar standpunt te motiveren dat appellantes klachten niet worden onderbouwd met medisch objectiveerbare feiten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.2.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellante op de datum in geding.

4.3.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 juni 2013 gemotiveerd heeft uiteengezet dat de gestelde psychische klachten niet worden ondersteund met medisch objectiveerbare gegevens. Het rapport van psycholoog Zantman van 28 oktober 2013 dateert van ruim na de datum in geding en bevat geen medische onderbouwing voor de gestelde klachten op die datum.

4.4.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullend rapport van 12 mei 2015 gemotiveerd uiteengezet dat de bevindingen uit het radiologiebericht van 1 juni 2012 te classificeren zijn als objectiveerbare afwijkingen, maar dat de ernst en de mate van de gestelde klachten niet zijn te verklaren met de waargenomen geringe artrose. Mogelijke consequentie van de waargenomen afwijkingen is dat beperkingen voor fysiek zware arbeid kunnen worden aangenomen, maar aangezien het eigen werk van appellante fysiek niet zwaar is, moet zij in staat worden geacht haar arbeid te verrichten. Er is geen aanleiding om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen.

4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en E.W. Akkerman en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2015.

(getekend) M. Greebe

(getekend) G.J. van Gendt

NK