Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
19-07-2015
Zaaknummer
15-3794 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingen verplichting. Verzwegen inkomsten uit arbeid. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in wat verzoeker heeft betoogd geen dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin zijn gelegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/3794 WWB-VV, 15/3005 WWB

Datum uitspraak: 13 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 maart 2015, 14/3160 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van

27 mei 2015

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. S. Smeets, advocaat, hoger beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Smeets. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I.M. Meurkens-Mannens.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker ontving vanaf 28 augustus 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft aan het college opgegeven dat hij vanaf 1 juli 2011 gedurende 10 uur per maand werkzaam is bij [naam pizzaria] in [plaatsnaam] (pizzeria) en dat zijn inkomsten € 60,- per maand bedragen.

1.2.

Bij vonnis van 6 maart 2012 heeft de rechtbank Limburg ten aanzien van verzoeker de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

1.3.

Naar aanleiding van een melding op 29 januari 2014 van de bewindvoerder van verzoeker, dat hij gedurende drie dagen per week werkzaam is bij de pizzeria, heeft een sociaal rechercheur van de gemeente [woonplaats] op 31 januari 2014 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan verzoeker verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek heeft dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn gegevens van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd, zijn waarnemingen verricht in de omgeving van de pizzeria, is verzoeker gehoord en is de werkgever van verzoeker als getuige gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage bijzonder onderzoek van 22 mei 2014.

1.4.

De onderzoeksresultaten waren voor het college aanleiding om de bijstand van appellant bij besluit van 2 juni 2014 met ingang van 1 februari 2014 in te trekken en de kosten van bijstand over de periode van 1 februari 2014 tot en met 30 april 2014 (lees: 28 februari 2014) tot een bedrag van € 842,09 netto algemene bijstand en € 309,75 netto bijzondere bijstand van verzoeker terug te vorderen.

1.5.

Bij besluit van 1 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2014 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat verzoeker de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij niet alle werkzaamheden die hij bij de pizzeria heeft verricht en de inkomsten daaruit heeft gemeld aan het college. Daardoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.Verzoeker heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.5.

Het college is in die bewijslast geslaagd. Steun voor het standpunt van het college dat verzoeker méér werkzaamheden heeft verricht dan hij heeft opgegeven is onder meer te vinden in de melding van de bewindvoerder dat verzoeker op drie dagen per week van 16:00 uur tot 03:00 uur werkzaamheden heeft verricht in de pizzeria. Daarnaast is van belang dat verzoeker tijdens de in de periode van 3 februari 2014 tot 24 april 2014 door de sociale recherche verrichte waarnemingen gedurende méér uren en op andere tijden in de pizzeria werkend is aangetroffen dan hij aan het college heeft opgegeven. Verder is tijdens 23 van de 31 waarnemingen de auto van verzoeker waargenomen in de directe omgeving van de pizzeria. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 4 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4269) vooronderstelt de aanwezigheid van een betrokkene tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek dat de betreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Het tegendeel heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Dat verzoeker, op de tijdstippen waarop zijn auto stond geparkeerd in de buurt van de pizzeria, niet in de pizzeria verbleef, heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt.

4.6.

Aan de door verzoeker overgelegde verklaring van 6 september 2014 van zijn werkgever dat verzoeker op de werkplek aanwezig was, omdat hij behoefte had aan gezelschap en niet meer dan 10 uur per maand heeft gewerkt, kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. De werkgever heeft immers op 25 april 2014 tegenover een sociaal rechercheur verklaard dat verzoeker wel eens even naar de zaak komt om koffie te drinken en niet om te werken. Dit is ongeveer één keer per week een half uurtje tot een uurtje. Op dat half uurtje in de week na is verzoeker enkel in de zaak om te werken. De werkgever heeft deze verklaring ondertekend. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. De rechtbank kan dan ook gevolgd worden in haar oordeel dat verzoeker in de periode hier in geding de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.7.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat verzoeker geen duidelijkheid heeft verschaft over de omvang van zijn werkzaamheden. Daardoor is onvoldoende inzichtelijk gemaakt en onduidelijk gebleven wat de precieze omvang is geweest van de werkzaamheden en het daarbij behorende inkomen. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden beoordeeld of verzoeker ten tijde in geding nog in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De omstandigheid dat appellant in een schuldsaneringstraject zit en naar zijn stelling moet leven van een weekgeld van € 50,- per week, maakt niet dit niet anders.

4.8.

Verzoeker heeft aangevoerd dat zelfs al zou hij meer uren hebben gewerkt, deze uren niet op geld waardeerbaar zijn, gelet op de financiële situatie van de pizzeria. Verzoeker kan hierin niet worden gevolgd. Het is immers niet van belang of verzoeker daadwerkelijk een beloning heeft ontvangen, maar dat de werkzaamheden op geld waardeerbaar zijn en hij daarvoor een beloning kan bedingen. Deze beroepsgrond treft dan ook geen doel.

4.9.

Gelet op wat in 4.5 tot en met 4.8 is overwogen was het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB verplicht om de aan verzoeker verstrekte algemene en bijzondere bijstand met ingang van 1 februari 2014 in te trekken. Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB was het college voorts verplicht de kosten van bijstand over de periode van 1 februari 2014 tot en met 28 februari 2014 van verzoeker terug te vorderen.

4.10.

Verzoeker heeft betoogd dat sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Als gevolg van de terugvordering door het college heeft de rechtbank Limburg bij vonnis van 27 mei 2015 de schuldsaneringsregeling van verzoeker beëindigd zonder de zogenaamde schone lei. Verzoeker is tegen dat vonnis in hoger beroep gekomen. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in wat verzoeker heeft betoogd geen dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin zijn gelegen.

4.11.

Uit 4.9 volgt dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Hierin ligt besloten dat geen grond aanwezig is voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2015.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

HD