Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2293

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
14-1140 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:974, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de betaling van de eigen bijdrage voor verblijf in een AWBZ-instelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1140 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 februari 2014, 13/1885 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 juni 2015. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 14 januari 2013, gehandhaafd bij besluit van 12 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de betaling van de eigen bijdrage voor zijn verblijf in een AWBZ-instelling afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat met betrekking tot deze kosten sprake is van een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 van de Wet werk en bijstand (WWB) en dat de eigen bijdrage moet worden gezien als vervanging voor de normale kosten van levensonderhoud die appellant anders ook zou maken, zodat deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die moeten worden betaald uit het eigen inkomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Uit het hoger beroepschrift begrijpt de Raad dat appellant van mening is dat hij als onderdaan van de Nederlandse staat recht heeft op de gevraagde bijzondere bijstand. Verder heeft hij naar voren gebracht dat er schade is opgetreden aan de spullen in zijn woning en dat het college die schade had moeten vergoeden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 15, eerste lid, van de WWB (thans Participatiewet) bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot de kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:BY9838) worden de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de kosten van medische zorg in beginsel als een aan de WWB voorliggende toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de WWB beschouwd. De eigen bijdrage die appellant voor zijn verblijf in de zorginstelling betaalde, is vastgesteld met toepassing van het mede op de AWBZ gebaseerde Bijdragebesluit Zorg. Nu met deze eigen bijdrage een bewuste keuze is gemaakt over het vergoeden van deze kosten, staat artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB aan verlening van bijzondere bijstand in de weg.

4.3.

De rechtbank heeft het college daarom terecht gevolgd in zijn standpunt dat appellant deze kosten uit het eigen inkomen moet betalen. Dat appellant daarnaast nog vaste lasten had wegens het aanhouden van zijn woning leidt niet tot een andere beoordeling. Daarbij merkt de Raad op dat het college er in het bestreden besluit ter voorlichting van appellant nog op heeft gewezen dat hij wellicht in aanmerking kan komen voor doorbetaling van zijn vaste lasten gedurende zijn verblijf in de AWBZ-instelling en dat hij hiertoe een aanvraag om bijzondere bijstand kan indienen.

4.4.

De door appellant ingenomen stelling dat het college de schade aan de spullen in zijn woning moet vergoeden laat de Raad (verder) onbesproken. Dit valt geheel buiten het kader van dit geding.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2015.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.L. Meijer

HD