Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
14-1615 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellant had moeten interen op vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/161

Uitspraak

14/1615 WWB

Datum uitspraak: 14 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 februari 2014, 13/4377 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.A. Maat, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maat. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W. Francke.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt vanaf 18 oktober 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Appellant heeft op 23 januari 2008 een verkeersongeluk gehad en heeft als gevolg daarvan schade geleden. In een vaststellingsovereenkomst van 1 november 2012 zijn appellant en Achmea Schadeverzekeringen N.V. overeengekomen dat als vergoeding van de door appellant geleden en/of nog te lijden immateriële schade een bedrag van € 38.800,- zal worden vergoed en een bedrag van € 1.200,- aan kosten ten gevolge van het ongeval. Op

6 november 2012 heeft appellant een bedrag van € 40.000,- ontvangen.

1.3.

Bij besluit van 21 december 2012 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant herzien en het vermogen van appellant opnieuw vastgesteld. Daarbij heeft het dagelijks bestuur twee derde deel van de toegekende vergoeding als voor de bijstandsverlening relevante middelen aangemerkt. Gelet op de omvang van het vermogen had appellant vanaf 23 januari 2008 geen recht op bijstand en had hij moeten interen op zijn vermogen. Het dagelijks bestuur heeft daarom de kosten van bijstand tot een bedrag van € 21.525,60 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 15 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 december 2012 gegrond verklaard, in die zin dat een bedrag van € 1.200,- ten onrechte niet is aangemerkt als kosten en daarom bij de beoordeling van het recht op bijstand buiten beschouwing dient te blijven. De terugvordering wordt vastgesteld op € 20.725,60.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is een voorwaarde voor het recht op algemene bijstand dat er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB, voor zover hier van belang, worden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend: giften en vergoedingen voor materiële en immateriële schade voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

4.2.

Het dagelijks bestuur heeft van het aan appellant toegekende bedrag van € 38.800,- twee derde deel als middelen aangemerkt.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij in de toekomst voor kosten zal worden gesteld als gevolg van zijn door het ongeval toenemende invaliditeit. Deze schade is niet concreet te becijferen, zodat hieraan in de vaststellingsovereenkomst geen concreet bedrag is gekoppeld, maar wel duidelijk is dat de vaststellingsovereenkomst mede hiervoor een compensatie beoogde te bieden. Schattenderwijs had kunnen worden vastgesteld welk deel van de vergoeding bestemd was voor toekomstige (materiële) kosten, zodat deze kosten bij de vermogensvaststelling buiten beschouwing hadden kunnen blijven.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het dagelijks bestuur heeft kunnen uitgaan van de in de vaststellingsovereenkomst genoemde componenten van de vergoeding en de daarbij behorende bedragen. Appellant heeft zich in de procedure die heeft geleid tot de vaststellingsovereenkomst laten bijstaan door een letselschadeadvocaat en hij heeft deze vaststellingsovereenkomst ondertekend. Er is geen reden om van de tekst van de vaststellingsovereenkomst af te wijken, door een onderscheid te maken naar actuele materiële schade, die valt onder de component ‘kosten’, en toekomstige materiële schade om aldus de hoogte van de immateriële schadevergoeding te schatten op een ander bedrag dan is overeengekomen. De brief van de letselschadeadvocaat over de verwachte uitkomst aan smartengeld van 2 augustus 2012 maakt dit niet anders. Appellant heeft voorts niet met een concrete, objectieve onderbouwing aannemelijk gemaakt dat hij de toegekende schadevergoeding deels zal moeten aanwenden voor kosten die naar verwachting in verband met het ongeval in de toekomst zullen optreden en die niet kunnen worden geacht te zijn begrepen in de algemene bijstand en voor zijn rekening zullen komen zonder dat daarvoor voorzieningen aanwezig zijn.

4.5.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het dagelijks bestuur heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur door uit te gaan van een specifieke uitspraak van de Raad, terwijl andere uitspraken veel beter met zijn situatie vergelijkbaar zijn.

4.6.

Deze beroepsgrond wordt verworpen. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting voldoende toegelicht dat hier sprake is van een vaste gedragslijn. Het dagelijks bestuur hanteert, naar analogie van de verdeling zoals die uit de uitspraak van 22 februari 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP5677) blijkt, een gedragslijn waarbij een derde van de toegekende immateriële schadevergoeding wordt vrijgelaten bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen vermogen en heeft dit in alle gevallen die zich in de laatste jaren hebben voorgedaan, zoals niet is betwist, aldus toegepast.

4.7.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3892) blijkt uit artikel 32, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB dat het aan het bijstandverlenend orgaan is om de grenzen te bepalen van wat uit het oogpunt van bijstandsverlening nog wel en wat niet verantwoord is. Daarbij moet het bijstandverlenend orgaan rekening houden met de omstandigheid dat bij zeer aanzienlijke uitkeringen de betrokkene in een zodanige financiële positie kan komen te verkeren dat het onverkort buiten beschouwing laten daarvan niet in overeenstemming is met het minimumbehoefte- en complementaire karakter van de bijstand. Voor zover een bijstandverlenend orgaan algemene uitgangspunten heeft geformuleerd in de vorm van beleid, of zoals hier in de vorm van een vaste gedragslijn, betekent dit dat het mogelijk is dat het ene bijstandverlenend orgaan een ruimere vrijstelling hanteert dan het andere. Dat is eigen aan het gegeven dat de bijstand op grond van de WWB is gedecentraliseerd. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de rechter met betrekking tot de keuze die het dagelijks bestuur heeft gemaakt slechts een terughoudende toets kan verrichten.

4.8.

Met toepassing van de in 4.7 beschreven wijze van toetsing komt de Raad tot het oordeel dat geen grond bestaat om het standpunt van het dagelijks bestuur over het vrij te laten deel van de ontvangen schadevergoeding voor onjuist te houden. Dat het dagelijks bestuur onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellant, wordt niet gevolgd. Het dagelijks bestuur heeft in het bestreden besluit vermeld op welke wijze rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting erkend dat in het bestreden besluit ook had moeten worden vermeld dat met deze omstandigheden bij appellant inderdaad rekening is gehouden. Zoals ook al in beroep toegelicht heeft het dagelijks bestuur de leeftijd van appellant, de mogelijkheden om in de toekomst eigen inkomsten te verwerven, de duur van de nog te verwachten periode van bijstandverlening en de kenmerken van de schadevergoeding bij de beoordeling betrokken. Daarbij heeft het dagelijks bestuur van belang geacht dat appellant vanaf 18 oktober 1996 bijstand ontvangt en dat hij in ieder geval vanaf 2003 geen inkomsten heeft genoten naast de bijstand. Bij de toegepaste verdeelsleutel wordt voor appellant een niet onaanzienlijk bedrag vrijgelaten. Het dagelijks bestuur heeft dan ook voldoende toegelicht dat en op welke wijze met de omstandigheden van appellant rekening is gehouden.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en F. Hoogendijk en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2015.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) C.M. Fleuren

HD