Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
14-2272 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op geld waardeerbare werkzaamheden. Schending inlichtingenverplichting. Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Meerdere besluiten. Besluiten berusten niet op een deugdelijke motiveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/2272 WWB, 14/2273 WWB

Datum uitspraak: 14 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 maart 2014, 13/4675 en 13/4867 (aangevallen uitspraak)

w

Partijen:

[Appellante] (appellante) en [Appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.A.D. Oomes, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. R.L.J.J. Vereijken, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 26 maart 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden, in aanvulling op achtereenvolgens de inkomsten uit arbeid van appellante, het door haar werkgever betaalde ziekengeld en, per

17 juli 2012, de uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van appellante. Appellanten woonden toen, samen met hun zoon [naam zoon J] (J) en met [naam zoon B], het kind van appellante, op het adres [adres A] te [woonplaats] (adres [adres A]). Bij vonnis van

12 september 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch (sector civiel) de Stichting Woonbedrijf SWS verboden over te gaan tot ontruiming van de woning op het adres [adres A], onder de voorwaarde, onder meer, dat appellant de woning verlaat. Sinds 15 september 2012 huurt appellant de woning op het adres [adres B] te [woonplaats] (adres [adres B]).

1.2.

Bij afzonderlijke besluiten van 25 september 2012 heeft het college appellanten bericht dat de bijstand per 13 september 2012 wordt ingetrokken, omdat appellant op die datum is verhuisd en sindsdien geen gezamenlijke huishouding meer voert met appellante. Hierbij is vermeld dat nader genoemde aanvullende gegevens moeten worden ingeleverd en dat aan de hand daarvan zal worden beoordeeld of nog recht op bijstand bestaat.

1.3.1.

Naar aanleiding van de op 15 oktober 2012 van appellant ontvangen informatie dat hij zijn woning moet verlaten, heeft een sociaal-rechercheur van de gemeente Eindhoven (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellanten vanaf

13 september 2012, de datum waarop appellant zich in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: basisregistratie personen) heeft ingeschreven op het adres [adres B]. In dat kader heeft de sociaal rechercheur op 30 en 31 oktober 2012 en op

7 november 2012 waarnemingen verricht bij de woningen op de adressen [adres A] en [adres B], op 1 november 2012 een gesprek gevoerd met appellant en op 1 en

7 november 2012 huisbezoeken afgelegd aan de woningen op genoemde adressen.

1.3.2.

Tevens heeft de sociaal rechercheur een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de tot 13 september 2012 aan appellanten verleende bijstand. Dit (deel)onderzoek was toegespitst op de activiteiten van appellant in het cateringbedrijf van zijn broer, genaamd ‘[naam bedrijf]’ (bedrijf), welk bedrijf vanaf januari 2011 de bedrijfslunch verzorgt van het bedrijf [naam bedrijf A], voorheen [naam B.V.] Appellant kwam, zo heeft hij verklaard tijdens een gesprek in juni 2011 met zijn klantmanager over zijn dagbesteding, dagelijks naar het bedrijf om te praten met zijn broer en een helpende hand te bieden als het druk was. In het kader van dit (deel)onderzoek heeft de sociaal rechercheur tijdens het in 1.3.1 genoemde gesprek op

1 november 2012 ook de activiteiten van appellant in het bedrijf aan de orde gesteld. Daarnaast zijn als getuigen gehoord [Getuige M] (M), sinds januari 2011 werkzaam bij het bedrijf, [Getuige W] (W), ook al vóór januari 2011 werkzaam bij het bedrijf, en

[Getuige B] (B), de broer van appellant.

1.3.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 november 2012.

1.4.

Op 16 november 2012 heeft het college appellanten bericht dat de bijstand wordt beëindigd per 15 november 2012, omdat zij onjuiste inlichtingen hebben verstrekt over hun inkomens- en woonsituatie.

1.5.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluiten van

26 november 2012 en 11 december 2012, in onderlinge samenhang bezien en zoals ter zitting nader toegelicht:

- de bijstand van appellanten in te trekken over de periode van 26 maart 2009 tot en met

12 september 2012 en

- de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 26 maart 2009 tot en met 31 augustus 2012 van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van € 27.056,97, waarbij is vermeld dat zij beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van dit bedrag.

Het besluit van 11 december 2012, zoals ter zitting toegelicht, omvat tevens de weigering van het college om appellanten ieder vanaf 13 september 2012 bijstand te verlenen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij dat besluit heeft het college voorts het aan appellanten op 16 oktober 2012 verstrekte voorschot van € 750,- teruggevorderd.

Aan de besluiten van 26 november 2012 en 11 december 2012 heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Appellanten hebben vanaf 26 maart 2009 de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door aan het college niet te melden dat appellant in het bedrijf werkzaamheden in de catering verricht. Deze werkzaamheden zijn op geld waardeerbaar, maar het loon kan niet worden geschat. Verder zijn appellanten vanaf

13 september 2012 een gezamenlijke huishouding met elkaar blijven voeren.

1.6.

Bij besluit van 16 augustus 2013 (bestreden besluit 1) en bij besluit van 3 september 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college, voor zover van belang, de bezwaren van appellanten tegen de brieven van 16 november 2012 en de besluiten van 26 november 2012 en

11 december 2012 ongegrond verklaard. In de bestreden besluiten heeft het college het standpunt ingenomen dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting in verband met de werkzaamheden van appellant in het bedrijf het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college heeft er hierbij op gewezen dat de omvang van de werkzaamheden van appellant niet meer is vast te stellen, omdat naast reguliere werktijden ook in weekenden en tijdens feestdagen werkzaamheden werden verricht, en dat daarom niet een fictief inkomen kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard voor zover de beroepen zijn gericht tegen de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de brieven van 16 november 2012 en de bestreden besluiten in zoverre vernietigd. Voorts heeft de rechtbank, zelf in de zaak voorziend, de bezwaren tegen de brieven van 16 november 2012 niet-ontvankelijk verklaard - op de grond dat die, gelet op de besluiten van 25 september 2012, niet op rechtsgevolg zijn gericht en dus geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de beroepen ongegrond zijn verklaard. Zij hebben, kort samengevat en voor zover ter zitting gehandhaafd, de volgende beroepsgronden aangevoerd. Er is onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant vanaf 26 maart 2009 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en dat appellanten vanaf 13 september 2012 nog steeds een gezamenlijke huishouding met elkaar voeren. Appellante had geen zicht op en begrip van wat appellant in het bedrijf deed. Appellant kwam niet in het bedrijf om te werken, maar vanwege de sociale contacten. Als hij al wat deed, dan was dat op eigen initiatief en slechts van korte duur, in feite betrof dit een vriendendienst voor zijn broer. Het college was bovendien op de hoogte van de aanwezigheid van appellant in het bedrijf. Appellant had vanaf 13 september 2012 zijn hoofdverblijf in de woning op het adres [adres B]. Slechts enkele van zijn spullen waren achtergebleven in de woning op het adres [adres A]. Weliswaar verbleef appellant meer dan gemiddeld in laatstgenoemde woning, maar dit was om de overgang voor J, die een ernstige vorm van autisme heeft, zo soepel mogelijk te laten verlopen en is in een relatief korte periode afgebouwd. Als er al een reden is om de bijstand van appellanten in te trekken, dan dient terugvordering achterwege te blijven in verband met de persoonlijke en financiële omstandigheden van appellanten. Terugvordering zal leiden tot onaanvaardbare sociale en financiële consequenties.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De intrekking van de bijstand strekt zich uit over de periode van 26 maart 2009 tot en met 12 september 2012 (periode 1) en berust op de grond dat appellant, zonder daarvan melding te maken aan het college, werkzaamheden heeft verricht in het bedrijf en dat - nu de omvang van deze werkzaamheden niet kan worden bepaald - het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In het besluit van 11 december 2012 ligt besloten de weigering van het college om appellanten ieder met ingang van 13 september 2012 bijstand te verlenen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Deze weigering, waarmee het college in feite terugkomt van de besluiten van 25 september 2012, berust zowel op de grond dat appellanten een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd als op dezelfde grond als waarop de intrekking berust. In aanmerking genomen dat het college appellant met ingang van 6 december 2012 bijstand heeft verleend naar die norm, loopt de te beoordelen periode voor de weigering van

13 september 2012 tot en met 5 december 2012 (periode 2).

Intrekking

4.2.1.

Appellant heeft tegenover de sociaal rechercheur onder meer het volgende verklaard. Dat wat hij doet bij het bedrijf, doet hij uit vrije wil en moet worden gezien als vrijwilligerswerk, vriendendienst of broederliefde. Aan het einde van de dag, rond 13.00 uur, neemt hij net als zijn broer een zak afval mee als zij naar buiten lopen. Hij gaat ongeveer vier keer per week naar het bedrijf, omdat hij anders thuis zit te “malen”. Samen met zijn broer zit hij daar te praten. Het is voor hem een goede afleiding.

4.2.2.

M heeft tegenover de sociaal rechercheur onder meer het volgende verklaard. M kent appellant sinds januari 2011, toen is M bij het bedrijf komen werken. M bestelt wel eens een broodje bij appellant. M ziet dan dat appellant onder andere soep inschenkt, kroketten bakt, de reeds gesmeerde broodjes uitdeelt en vervolgens afrekent achter de kassa. Appellant maakt doordeweeks iedere dag in de kantine de broodjes klaar die in de pauze door het personeel van het bedrijf worden gekocht en genuttigd. Hij maakt ook voor bedrijven broodjes klaar die vanuit de kantine naar de bedrijven worden gebracht. Het rondbrengen van de broodjes wordt gedaan door B. M weet dat appellant er elke dag is. M denkt dat appellant rond 8.30 uur begint met zijn werkzaamheden in de kantine en gaat ervan uit dat appellant omstreeks

13.00

uur vertrekt. M weet dat er in de ochtenduren ook wordt gekaart door personeel van het bedrijf. In het verleden werd er regelmatig gekaart.

4.2.3.

W heeft tegenover de sociaal rechercheur onder meer het volgende verklaard. Zij is werkzaam bij [naam bedrijf A]. Sinds januari 2006 tot 1 augustus 2010 werkte zij vijf dagen per week en daarna 4 dagen per week in het pand waar het bedrijf is gevestigd. Van 1 april 2010 tot

1 augustus 2010 is zij met zwangerschapsverlof geweest. In het bedrijf werken 68 mensen, waarvan 30 à 35 mensen dagelijks gebruik maken van de catering. Het is meestal erg druk tussen 12.00 uur en 12.30 uur. Ongeveer twee jaar voordat [naam B.V.] failliet ging was het bedrijf al gevestigd in de kantine van het pand. De directeur van het bedrijf is B, die aanwezig is op dagen dat W er ook is. W komt met grote regelmaat in de kantine van [naam bedrijf A] en ziet de keren dat zij daar komt een man die op de foto wordt getoond. Zij weet dat deze man appellant is. In het begin van het contract dat [naam bedrijf A] met het bedrijf heeft, is zij namelijk voorgesteld aan appellant. Daarna kwam appellant iedere dag in de kantine. De werkzaamheden van appellant die W kan waarnemen zijn: bereiden van broodjes, uitserveren dan wel aangeven van broodjes die gekocht worden, afrekenen, de afwas doen en bijvullen van de koeling met blikjes fris. Als hij niet aan het afrekenen is, dan is hij bezig met het vullen van de bakovens, kroketten bakken, etc. Appellant is constant druk bezig. Op de dagen dat zij werkt, bestelt W bij appellant een kop soep, één of twee blikjes cola, een broodje of een tosti. W weet dat appellant altijd tussen 9.00 uur en 13.00 uur aanwezig is in de kantine en daar dus werkt. Tot voor kort werd er ook wel eens gekaart door een aantal mensen, niet zijnde [naam bedrijf A]-personeel, waar appellant en/of B bij zijn. De kantine is erg groot en professioneel ingericht en ze zijn in de gelegenheid om in de ochtend alle voorbereidingen te treffen voor de lunch en om als cateraar deze te vervoeren naar elders. W ging er in het verleden van uit dat het bedrijf een gezamenlijk bedrijf was van B en appellant. Ze zijn altijd samen aanwezig. De kerstlunch en andere cateringsactiviteiten buiten kantooruren verzorgen zij ook altijd samen. W denkt dat appellant de echte kok is en dat B de benzinepomp onder zijn beheer heeft. W weet dat het personeel van het bedrijf ook in de weekenden de mogelijkheid heeft om binnen te komen in het pand waarin het bedrijf is gevestigd. Zij kunnen dan de keuken gebruiken voor hun werkzaamheden. W denkt dat appellant ongeveer 20 uur per week bij [naam bedrijf A] in wisselende samenstelling met de dames en zijn broer de catering voor [naam bedrijf A] en andere bedrijven verzorgt.

4.2.4.

B heeft tegenover de sociaal rechercheur onder meer het volgende verklaard. Appellant is vrij regelmatig aanwezig. Hij is er meestal tussen 9.00 uur en 9.30 uur en vertrekt tussen 13.00 uur en 13.30. Appellant is niet bij B werkzaam. Tussen 12.00 uur en 12.30 uur helpt appellant B wel eens mee in het bedrijf. Dit is vooral de laatste vier à vijf maanden. B denkt dat appellant pas vanaf 2010 komt en niet al sinds begin 2009. Als appellant helpt, is dat maximaal tien à vijftien minuten per dag. Het gaat dan om soep opwarmen, broodjes meegeven of klaarmaken en afrekenen. Dit kan van alles zijn. Zijn hulp is op eigen initiatief en hij krijgt daar geen vergoeding voor. Appellant komt er al 2,5 jaar. Met name de laatste vier à vijf maanden helpt appellant spontaan tussen 12.00 uur en 12.30 uur. Appellant komt meestal na 9.00 uur. B en appellant gaan dan pokeren tot 11.00 uur/11.30 uur, wat afhankelijk is van de drukte. Soms zitten ze ook gewoon te praten. Daarna gaat B, als het nodig is, bestellingen voorbereiden. Verder zijn vaak aanwezig: Arie van Heugten, [naam zoon B], een nicht en soms ook de zus van B. Tot 10.30 uur kan online worden besteld. B wacht meestal de bestellingen af en gaat daarna de broodjes afbakken en klaarmaken. In de ogen van B helpt appellant hem soms een korte tijd als dit nodig is. Appellant is van origine chefkok en kan van alles maken. Vanwege zijn persoonlijke situatie is hij op dit moment niet in staat werkzaamheden te verrichten.

4.3.1.

Gelet op deze verklaringen moet als vaststaand worden aangenomen dat appellant in periode 1 hooguit vier uur per dag, van 9.00 uur tot 13.00 uur, in het bedrijf aanwezig was. De verklaringen van M en W bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant - met uitzondering van de kerstlunch waaraan W refereert - ook buiten deze uren in het bedrijf aanwezig was en daar werkzaamheden verrichtte. M verklaart niets over de aanwezigheid van appellant buiten die uren en wat W daarover verklaart is onvoldoende specifiek en berust bovendien niet op feitelijke waarnemingen, maar op indrukken.

4.3.2.

De verklaringen van M en W bieden wel voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in periode 1 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in het bedrijf. Dat appellant slechts de laatste vier à vijf maanden een enkele keer gedurende de lunchpauze een kwartier per dag op eigen initiatief een handje meehielp in het bedrijf, zoals appellant en B hebben doen voorkomen, acht de Raad in het licht van de verklaringen van M en W ongeloofwaardig.

4.3.3.

Appellanten hebben kort voor de zitting van de Raad nog schriftelijke verklaringen van werknemers van [naam bedrijf A] en een nadere verklaring van B ingebracht, gedateerd op data in maart en april 2013. Deze werknemers en B verklaren, kort samengevat, dat appellant slechts tijdens de lunchpauze van [naam bedrijf A] van 12.00 uur tot 12.30 uur kantinewerkzaamheden verrichtte. Reeds omdat niet duidelijk is op welke periode de door appellanten ingebrachte verklaringen zien, komt aan deze verklaringen niet die betekenis toe die appellanten daaraan gehecht wensen te zien.

4.3.4.

Op basis van de verklaringen van M en W moet als vaststaand worden aangenomen dat appellant niet alleen tijdens de lunchpauze van [naam bedrijf A] op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht, maar ook daarvoor en daarna. Uit de verklaringen van zowel M en W als appellant en B blijkt echter dat appellant tijdens zijn aanwezigheid in het bedrijf ook niet werk gerelateerde activiteiten - kaarten - heeft verricht. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat uit de verklaringen van M en W niet blijkt op welke momenten zij in de kantine van [naam bedrijf A] kwamen en of wat zij verklaren over de werkzaamheden van appellant berust op feitelijke waarnemingen dan wel meer hun indruk daarover is, moet er van worden uitgegaan dat appellant in het bedrijf maximaal twee uur per dag op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Vaststaat dat appellanten daarvan geen melding hebben gemaakt aan het college. Daarmee is gegeven dat appellanten in periode 1 de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.

4.3.5.

Dat appellante, naar zij kennelijk heeft beoogd te stellen, geen weet had van de werkzaamheden van appellant in het bedrijf, doet aan die schending niet af. In geval van gezinsbijstand worden de beide in de gezinsbijstand begrepen partners als een eenheid gezien wat hun aanspraken en verplichtingen op grond van de WWB betreft en daarom kan geen van beide in de gezinsbijstand begrepen partners zich met vrucht beroepen op onbekendheid met de financiële situatie en de activiteiten van de ander. Vergelijk de uitspraak van 9 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:953.

4.4.

Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandverlenend orgaan gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, mag daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening worden gelaten. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.

4.5.

Gelet op 4.3.4 kan de omvang van de werkzaamheden van appellant in het bedrijf bij benadering worden vastgesteld, namelijk op meer dan een half uur en maximaal twee uur per dag op doordeweekse dagen. Aangezien appellant over zijn werkzaamheden in het bedrijf geen openheid van zaken heeft gegeven, had het college ervan uit mogen gaan dat appellant in periode 1 twee uur per dag op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Aangezien daaraan een loonwaarde kan worden toegekend ter hoogte van het wettelijk minimumloon, was het college in dit geval gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag appellanten in die periode in ieder geval wel recht op bijstand zouden hebben gehad. In zoverre zijn de bestreden besluiten niet zorgvuldig voorbereid en berusten deze besluiten niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Gezamenlijke huishouding

4.6.

Vaststaat dat appellanten voor verlening van bijstand tot en met 12 september 2012 als gehuwden zijn aangemerkt en dat uit hun relatie een kind is geboren. Dit betekent, gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de WWB, dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding bepalend is of appellanten gedurende periode 2 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.7.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat hetzelfde adres voor beiden als hoofdverblijf fungeert.

4.8.1.

Tijdens het huisbezoek op 1 november 2012 aan de woning op het adres [adres B] werden in de koelkast enkele pakken limonade aangetroffen, maar geen etenswaren. Appellant verklaarde dat hij nog niet in de woning had gekookt en er waren ook geen spullen aanwezig om mee te koken. In de slaapkamer stond een tweepersoonsbed en een eenpersoonsbed zonder dekbedden. In de slaapkamer stond geen kast en werd geen enkel kledingstuk van appellant aangetroffen. In de badkamer waren geen toiletartikelen en handdoeken aanwezig.

4.8.2.

Tijdens het huisbezoek op 7 november 2012 aan de woning op het adres [adres A] hing in de hal een jas van appellant en stonden daar twee paar schoenen van hem. In de woonkamer hingen boven de open haard drie Samurai-zwaarden van appellant. Ook lagen in de woonkamer schoenen van appellant en J. In een la lagen poststukken van zowel appellante als appellant. Appellante verklaarde dat de keuken er nog net zo uitziet als tijdens de bewoning van appellant en dat ze later op de dag samen met appellant boodschappen gaat doen. Verder verklaarde appellante dat het in de grote slaapkamer aan de achterzijde aangetroffen tweepersoonsbed door haar en appellant wordt beslapen. In de grote kledingkast hingen aan de linkerkant de kledingstukken van appellant en aan de rechterkant de kledingstukken van appellante. Appellante verklaarde dat alle kleding van appellant er nog ligt. Ook stonden tien paar schoenen van appellant in de kast. Aan de voorzijde van de woning is de slaapkamer waar J slaapt. In deze slaapkamer lagen overal kledingstukken en speelgoed. Appellante verklaarde dat J autistisch is en wil dat het zo blijft. Al zijn kledingstukken lagen in een kast en er lagen schoenen van J in zijn kamer. Appellante verklaarde dat zij altijd met appellant in hetzelfde bed slaapt en dat appellant nooit op zolder slaapt. Appellante wees in de badkamer toiletspullen van appellant aan en verklaarde dat zijn toiletspullen, zoals tandenborstel en scheergerei, nog bij haar liggen.

4.9.

Uit de bevindingen en verklaringen tijdens de twee huisbezoeken, in onderlinge samenhang bezien, kan geen andere conclusie worden getrokken, dan dat appellant op

7 november 2012 zijn hoofdverblijf nog steeds had op het adres [adres A] en niet op het adres [adres B]. De bevindingen tijdens de huisbezoeken geven geen aanleiding om te veronderstellen dat, zoals appellanten stellen, sprake was van een overgangssituatie, waarin appellant bezig was om te verhuizen naar het adres [adres B]. Daarnaast bieden de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de woon- en leefsituatie van appellanten na 7 november 2012 is gewijzigd. Pas in het kader van een onderzoek naar aanleiding van de aanvraag om bijstand van appellant van 6 december 2012 heeft het college kunnen vaststellen dat die situatie was gewijzigd.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat appellanten in periode 2 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, namelijk in de woning op het adres [adres A]. Gelet hierop was in die periode nog steeds sprake van een gezamenlijke huishouding, zodat het college terecht, zij het impliciet, heeft geweigerd appellanten ieder met ingang van 13 september 2012 bijstand te verlenen naar de norm voor een alleenstaande ouder.

4.11.

Wat in 4.5 is overwogen over de omvang van de werkzaamheden van appellant in het bedrijf in periode 1 en over het schattenderwijs vaststellen van het recht op bijstand in die periode op basis van het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden gedurende twee uur per dag, geldt ook voor periode 2. Dit betekent dat appellanten in periode 2, evenals in periode 1, recht hebben op bijstand naar de norm voor gehuwden, onder aftrek van de inkomsten van appellante en onder aftrek van de fictieve inkomsten van appellant op basis van het verrichten van werkzaamheden gedurende twee uur per dag. Ook in zoverre zijn de bestreden besluiten niet zorgvuldig voorbereid en berusten deze besluiten niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Slotoverwegingen

4.12.

Uit 4.5 en 4.11 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen gegrond verklaren, voor zover deze zijn gericht tegen het gedeelte van de bestreden besluiten dat ziet op de besluiten van 26 november 2012 en 11 december 2012, en de bestreden besluiten in zoverre vernietigen.

4.13.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. In dat verband wordt het volgende overwogen.

4.13.1.

Het college zal een nieuwe berekening moeten maken van het terug te vorderen bedrag over periode 1. Ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering hanteert het college het beleid dat geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene zou leiden. Appellanten hebben wel gesteld dat de terugvordering voor hen tot dergelijke consequenties leidt, maar hebben dat met de enkele verwijzing naar hun financiële situatie niet aannemelijk gemaakt.

4.13.2.

Het college zal ook een berekening moeten maken van de alsnog aan appellanten te verlenen bijstand naar de norm voor gehuwden over periode 2. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. Nu het daarbij nog slechts gaat om een financiële uitwerking, ziet de Raad geen aanleiding voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus en zal hij het college een opdracht geven om nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen.

Proceskosten

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden voor appellanten gezamenlijk begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand, omdat het hier gaat om samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart de beroepen gegrond voor zover deze zijn gericht tegen het gedeelte van de

besluiten van 16 augustus 2013 en 3 september 2013 dat ziet op de besluiten van

26 november 2012 en 11 december 2012;

- vernietigt de besluiten van 16 augustus 2013 en 3 september 2013 in zoverre;

- draagt het college op nieuwe beslissingen te nemen op de bezwaren tegen de besluiten van

26 november 2012 en 11 december 2012 met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 980,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2015.

w

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C. Moustaïne

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD