Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2288

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
13-5119 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Afwijzing aanvraag. Appellanten hebben niet aangetoond dat hun omstandigheden in de te beoordelen periode gewijzigd zijn ten opzichte van de situatie die aanleiding heeft gegeven de bijstand met ingang van 1 februari 2011 in te trekken. Zij hebben niet aangetoond dat in de te beoordelen periode inmiddels sprake is van vermogen onder de voor hen geldende vermogensgrens, zodat zij in deze periode aanspraak op bijstand konden maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/5119 WWB, 13/5120 WWB

Datum uitspraak: 14 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 16 augustus 2013, 13/1343 en 13/1003 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. K.M.S. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M. Rotgans, advocaat en kantoorgenoot van mr. Bal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roemers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 1 juli 1989 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand. Bij besluit van 9 mei 2011 heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 1 februari 2011 ingetrokken. Bij besluit van 11 mei 2011 heeft het college de bijstand van appellanten ingetrokken over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2011 en de over deze periode betaalde kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd.

1.2.

Bij besluit van 1 november 2011 heeft het college, voor zover van belang, de bezwaren tegen de besluiten van 9 mei 2011 en 11 mei 2011 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten vanaf 1 juli 1997 de beschikking hadden over een vermogen dat ruim boven de voor hen geldende vermogensgrens lag, zodat vanaf die datum geen recht op bijstand bestond. Uit een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand was namelijk gebleken dat vanaf begin juli 1997 diverse onroerende zaken in Turkije op naam van appellant stonden geregistreerd met een getaxeerde waarde van € 1.200.387,90. Van deze onroerende zaken is vervolgens een groot aantal verkocht in de maanden september, oktober en november 2010. Appellanten hebben het college van een en ander niet op de hoogte gesteld. Het college heeft geen aanleiding gezien appellanten te volgen in hun niet met objectieve, verifieerbare en controleerbare stukken onderbouwde standpunt, dat de op naam van appellant geregistreerde onroerende zaken feitelijk in eigendom toebehoorden aan zijn broer [naam broer], dat appellant redelijkerwijs over deze onroerende zaken niet heeft kunnen beschikken en dat appellanten geen financieel voordeel hebben genoten in verband met de tenaamstelling en de verkoop van een groot deel van deze onroerende zaken.

1.3.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 11 september 2012, 12/2302, het beroep tegen het besluit van 1 november 2011 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.4.

Appellanten hebben op 18 september 2012 opnieuw bijstand aangevraagd. Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft het college deze aanvraag, onder verwijzing naar het besluit van 9 mei 2011, afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

1.5.

Bij besluit van 19 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 oktober 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten hebben hiertoe - samengevat - aangevoerd dat uit de inmiddels door hen overgelegde stukken voldoende blijkt dat appellanten niet (meer) over onroerende zaken in Turkije beschikken en evenmin over vermogen hieruit. Zij leggen ter onderbouwing van hun standpunt in hoger beroep een aanvraagformulier “transfer vreemde valuta” van 17 september 2012 over waarin de bank wordt verzocht een bedrag van € 41.915,- over te maken van de rekening van de broer van appellant naar ene [naam Y], alsmede een aantal akten van eigendom, waaruit blijkt dat de broer van appellant op 25 januari 2010, 3 november 2010 en

9 november 2010 onroerende zaken in Turkije heeft verworven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 18 september 2012 tot en met 4 oktober 2012 (te beoordelen periode).

4.2.

Indien het college periodieke bijstand heeft ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een latere datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.3.

Appellanten hebben, anders dan zij hebben betoogd, niet aangetoond dat hun omstandigheden in de te beoordelen periode gewijzigd zijn ten opzichte van de situatie die aanleiding heeft gegeven de bijstand met ingang van 1 februari 2011 in te trekken. Zij hebben niet aangetoond dat in de te beoordelen periode inmiddels sprake is van vermogen onder de voor hen geldende vermogensgrens, zodat zij in deze periode aanspraak op bijstand konden maken. Zo hebben zij niet aangetoond dat in de te beoordelen periode geen enkele onroerende zaak in Turkije meer op naam van appellant stond. Het in verband hiermee door appellanten in beroep overgelegde uittreksel van het kadaster van Midyat van 21 januari 2013 kan hiertoe niet dienen, omdat dit uittreksel ziet op een datum na de te beoordelen periode. Evenmin hebben zij met relevante en verifieerbare gegevens onderbouwd dat zij niet (meer) beschikken over vermogen in verband met de inmiddels verkochte onroerende zaken. De in hoger beroep overgelegde stukken kunnen hiertoe niet dienen, nu deze zien op de vermogenspositie van de broer van appellant en niet op die van appellanten.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het college de aanvraag van 18 september 2012 terecht heeft afgewezen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R.G. van den Berg

HD