Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
14-870 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering en oplegging verlaging bijstandsuitkering met 20% gedurende twee maanden. Schending inlichtingenverplichting. Geen opgave gedaan van de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/870 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

14 januari 2014, 13/1147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

Datum uitspraak: 14 juli 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015. Namens appellant is verschenen mr. Verstraelen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

T.R.H.M. Kreuwels.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Appellant ontving ten tijde in geding bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een melding van de politie dat op 26 september 2012 in de toenmalige huurwoning van appellant een in werking zijnde hennepplantage was aangetroffen en ontmanteld, heeft de sociale recherche van de gemeente [woonplaats] een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Een sociaal rechercheur is direct dezelfde dag ter plaatse gaan kijken. Uit het onderzoek is onder meer gebleken dat de politie bij een huiszoeking in de woning van appellant 191 hennepplanten heeft aangetroffen in de kelder/kruipruimte van die woning, dat sprake is geweest van minimaal één eerdere oogst en dat er illegaal stroom was afgetapt ten behoeve van de hennepkwekerij. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 november 2012.

1.3.

Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 17 december 2012, voor zover hier van belang, de bijstand over de periode van 16 mei 2012 tot en met 26 september 2012 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.722,83 netto van appellant teruggevorderd. Voorts heeft het college appellant met ingang van 1 oktober 2012 een maatregel opgelegd, bestaande uit een verlaging van de bijstand met 20% gedurende twee maanden.

1.4.

Bij besluit van 28 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2012 gegrond verklaard en het besluit van 17 december 2012 in zoverre herzien dat de periode van intrekking loopt tot 26 september 2012 in plaats van tot en met 26 september 2012, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat hij geen opgave heeft gedaan van de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij en dat dientengevolge het recht op bijstand in de hier van belang zijnde periode van 16 mei 2012 tot 26 september 2012 niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Appellant was niet betrokken bij de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij. Hij heeft niets met die kwekerij te maken gehad en was ook niet op de hoogte van de aanwezigheid ervan. De kelder waar de hennep werd gekweekt had appellant aan derden verhuurd. Die personen beschikten over de sleutel van de separate toegangsdeur naar de kelder. Wie die personen waren heeft appellant niet willen zeggen uit angst voor represailles. Het college heeft appellant dan ook ten onrechte verweten dat hij ter zake de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het feit dat in de door appellant gehuurde woning een hennepkwekerij is aangetroffen, rechtvaardigt de vooronderstelling dat appellant bij de exploitatie van die kwekerij betrokken is geweest en dat de opbrengst daarvan (ook) hem ten goede is gekomen. Appellant is er niet in geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken. Anders dan appellant betoogt, blijkt uit de onderzoeksgegevens dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in zijn woning. Appellant heeft immers bij het verhoor door sociaal rechercheurs op 5 oktober 2012 verklaard dat hij de sleutel van de woning aan een persoon had gegeven waardoor zij de plantage konden verzorgen. Ook heeft appellant verklaard dat hij met deze persoon een afspraak had dat hij na een gelukte oogst per maand € 250,- zou ontvangen. Verder blijkt uit de rapportage van 2 november 2012 dat de kelder bereikbaar was via een luik in de keuken.

4.2.

Het (mede)exploiteren van een hennepkwekerij als hier aan de orde moet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat dit van belang kan van zijn voor de verlening van bijstand. Door geen melding te maken van deze - gelet op de omvang van de kwekerij onmiskenbaar op geld waardeerbare - activiteit heeft appellant het college de mogelijkheid ontnomen tijdig een onderzoek te doen instellen naar de exacte omvang van de werkzaamheden, de oogsten en de eventueel daaruit voortvloeiende verdiensten. Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R.G. van den Berg

HD