Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
13-6723 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 14 januari 2014 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen, waarin de einddatum van de loongerelateerde uitkering van appellant is vastgesteld op 21 augustus 2014. De Raad stelt vast dat het Uwv het bestreden besluit voor zover het ziet op de einddatum van de loongerelateerde uitkering (7 februari 2014) niet handhaaft, hetgeen betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond worden verklaard en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6723 WIA, 14/348 WIA

Datum uitspraak: 3 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 november 2013, 13/5382 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (Spanje) (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.J. van de Griend hoger beroep ingesteld.

Op 14 januari 2014 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015. Appellant is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 6 december 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 23 september 2012 op grond van artikel 54 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een uitkering in verband met Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) bij een arbeidsongeschiktheid van 73,2%. Daarbij is de einddatum van de loongerelateerde uitkering vastgesteld op 7 februari 2014. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 16 mei 2013 (bestreden besluit) gegrond verklaard in verband met een gewijzigd dagloon. Het Uwv heeft daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 23 september 2012 vastgesteld op 77,89%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn dat het medische oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv niet juist is geweest, dat er geen grond is om te oordelen dat de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid zijn onderschat en dat appellant in staat wordt geacht de door de arbeidsdeskundige geselecteerde voorbeeldfuncties te vervullen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de duur van de loongerelateerde uitkering juist heeft vastgesteld.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gronden van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Kort samengevat komen deze gronden op het volgende neer. Hij acht het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. In de aan het bestreden besluit mede ten grondslag liggende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is geen of onvoldoende rekening gehouden met zijn gezondheidstoestand. Hij lijdt aan ernstige rug- en nekklachten en wordt hiervoor behandeld. Daarnaast is onlangs bij onderzoek aderverkalking bij appellant vastgesteld. Dit is niet meegewogen in de besluitvorming die heeft geleid tot het bestreden besluit. Voorts is onvoldoende aandacht besteed aan appellants medicijngebruik. Daarom is appellant in het geheel niet in staat om enige vorm van arbeid te verrichten. Appellant is voorts niet in staat de ter bepaling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid door het Uwv geselecteerde functies te vervullen. De belasting van die functies gaat appellants belastbaarheid te boven. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij in beroep een rapport overgelegd van 20 september 2013 van medisch adviseur J.M. van der Toorn en een brief van 13 februari 2013 van radioloog dr. F. Amores uit Málaga (Spanje). Uit deze informatie wordt volgens appellant duidelijk dat de hieruit ontstane pijnklachten van een dusdanige intensiteit zijn dat appellant niet in staat is die functies te vervullen. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de duur van zijn loongerelateerde uitkering langer dient te zijn dan door het Uwv is vastgesteld.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op 14 januari 2014 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen, waarin de einddatum van de loongerelateerde uitkering van appellant is vastgesteld op 21 augustus 2014. De Raad stelt vast dat het Uwv het bestreden besluit voor zover het ziet op de einddatum van de loongerelateerde uitkering (7 februari 2014) niet handhaaft, hetgeen betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond worden verklaard en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd.

4.2.

Gelet op het besluit van 14 januari 2014 is tussen partijen nu nog in geschil de door het Uwv vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid 77,89%.

4.3.

Voor zover de gronden van appellant betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van deze besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid gewezen op de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals weergegeven in het rapport van 25 maart 2013. Het rapport bevat een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op de bezwaren die betrekking hebben op zowel appellants fysieke als psychische gezondheidstoestand. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen reden vormt om het onderzoek van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig te achten. De rechtbank heeft daarbij terecht gewezen op de uitgebreide expertises die het Uwv bij neuroloog, orthopedisch chirurg en cardioloog heeft laten verrichten, alsmede op de onderzoeken door de verzekeringsartsen.

4.4.

Appellant beschikt volgens het Uwv over verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Hij wordt echter in staat geacht om licht werk te doen, waarbij bijvoorbeeld zittend werk met afwisseling van houding mogelijk is en waarin voorts niet teveel gelezen, geschreven en gepraat wordt. In de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangepaste FML zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid opgenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen.

4.5.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert niet juist is, heeft appellant geen onderbouwd medisch oordeel gesteld dat doet twijfelen aan de juistheid van dat standpunt van het Uwv. Uit de vermelde informatie van de medisch adviseur en van appellants behandelaars in Spanje is niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van appellants beperkingen voor het verrichten van arbeid. De verzekeringsartsen hebben in hun rapporten van 3 december 2012 en 25 maart 2013 voldoende toegelicht waarom het standpunt van appellants behandelaars in Spanje, dat appellants rug- en nekklachten absoluut invaliderend zijn en zich in een terminaal stadium bevinden, mede gelet op de verrichte expertises niet wordt gevolgd. De medisch adviseur heeft in haar rapport van 20 september 2013 vermeld zich te kunnen vinden in de aangenomen beperkingen bij appellant voor zijn rug- en nekklachten, dyslexie en gehoorproblemen, maar een verhoogd persoonlijk risico bij appellant aan te nemen ten aanzien van het beroepsmatig autorijden, het werken met (gevaarlijke) machines en het werken op hoogten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie hierop in haar rapport van 24 september 2013 toegelicht dat reeds een beperking is aangenomen op beroepsmatig autorijden en heeft voorts overtuigend gemotiveerd waarom op de overige punten geen beperking is aangenomen.

4.6.

Terecht heeft de rechtbank de beroepsgrond verworpen dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. Daarbij heeft de rechtbank ook met juistheid verwezen naar de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, zoals weergegeven in het rapport van 7 mei 2013. In dat rapport wordt, onder verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 4 december 2012, inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellant werkzaamheden kan verrichten verbonden aan functies waarin de belasting in overeenstemming is met zijn verzekeringsgeneeskundig vastgestelde mogelijkheden en beperkingen. Uit de door appellant verstrekte informatie van de medisch adviseur en zijn behandelaars in Spanje is niet af te leiden dat twijfel gerechtvaardigd is aan dat standpunt van de arbeidsdeskundigen.

4.7.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.6 slaagt het beroep tegen het besluit van 14 januari 2014 niet.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 490,- voor in hoger beroep en op € 980,- voor in beroep verleende rechtsbijstand.

6. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 mei 2013 gegrond;

- vernietigt het besluit van 16 mei 2013;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 januari 2014 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.470,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 162,- vergoedt.

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2015.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) M. Crum

JL