Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2260

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
14-1318 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Appellante heeft de gevraagde informatie betreffende de stortingen op haar bankrekening niet verstrekt waardoor het recht op bijstand daardoor niet langer kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1318 WWB

Datum uitspraak: 7 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2014, 13/3729 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [wonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2015. Namens appellante is

mr. W. Hoebba verschenen, kantoorgenoot van mr. Mathoerapersad. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 24 augustus 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Uit dossieronderzoek is gebleken dat in de periode van 6 februari 2012 tot 21 september 2012 kasstortingen en stortingen door [naam vader], de vader van appellante, op de bankrekening van appellante hebben plaatsgevonden. Op 21 november 2012 heeft een gesprek tussen appellante en een handhavingsspecialist van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 14 december 2012.

1.3.

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 29 november 2012 ingetrokken op de grond dat appellante de gevraagde informatie betreffende de stortingen op haar bankrekening niet heeft verstrekt en het recht op bijstand daardoor niet langer kan worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 27 februari 2013 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

22 januari 2013 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat de bijstand deels zal worden ingetrokken en deels zal worden herzien. De bijstand wordt met ingang van 29 november 2012 voortgezet en appellante zal een nabetaling ontvangen over de periode van 29 november 2012 tot en met 19 december 2012. Verder is het volgende vermeld: “Zoals vermeld in de rapportage behorende bij het beëindigingsonderzoek betreft het de stortingen over de periode 23 februari 2012 tot en met 13 september 2012. Uw recht op bijstand wordt over deze periode herzien en de bijstand die u teveel heeft ontvangen zal van u worden teruggevorderd. U ontvangt hierover een apart besluit.”

1.5.

Bij besluit van 3 april 2013, voor zover van belang, met als onderwerp: “Besluit tot herziening van bijstand, alsmede besluit tot terugvordering” heeft het college aan appellante medegedeeld dat op grond van de beslissing op bezwaar een herberekening is gemaakt van de uitkering onder verrekening van de inkomsten en de nabetaling van de bijstand van appellante over de periode van 23 februari 2012 tot en met 13 september 2012 en dat van appellante een bedrag van € 2.373,40 zal worden teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 3 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 april 2013 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college overwogen dat het besluit tot intrekking (lees: herziening) reeds is vervat in de beslissing van 27 februari 2013. Nu appellante hiertegen geen bezwaar en beroep heeft ingesteld staat dit besluit in rechte vast. Het besluit van 3 april 2013 betreft slechts de terugvordering. De bezwaren gericht tegen de herziening kunnen daarom niet meer aan de orde komen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de beroepsgronden zich richten tegen de herziening waarover al bij besluit van 27 februari 2013 is beslist. De herziening kan derhalve niet aan de orde komen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, kort samengevat, aangevoerd dat eerst met het besluit van 3 april 2013 de bijstand is herzien. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het besluit van 27 februari 2013 een besluit tot herziening van de bijstand bevat. Uit de in 1.4 aangehaalde tekst van het besluit van 27 februari 2013 kan worden opgemaakt dat nog een besluit over de herziening en de terugvordering zou volgen. Bij dat beluit is slechts beslist over de hervatting van de bijstand en de nabetaling. Eerst bij besluit van 3 april 2013 is een besluit tot herziening van de bijstand over de periode van 23 februari 2012 tot en met 13 september 2012 genomen. Ook het onderwerp van het besluit zoals weergegeven in 1.5 duidt daarop. Het college heeft het bezwaar tegen de herziening vervat in het besluit van 3 april 2013 dan ook ten onrechte niet inhoudelijk behandeld. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover niet is beslist op het bezwaar gericht tegen het besluit tot herziening van 3 april 2013. Desgevraagd hebben partijen te kennen gegeven dat zij een inhoudelijke beslissing van de Raad willen op het bezwaar.

4.3.

De te beoordelen periode loopt van 23 februari 2012 tot en met 13 september 2012.

4.4.

Appellante betwist dat de kasstortingen en stortingen van haar vader haar ten goede zijn gekomen. De stortingen kunnen dan ook niet als inkomen worden aangemerkt.

4.5.

Appellante stelt dat haar vader steeds kleine bedragen op haar rekening stort, die zij heeft aangewend voor het betalen van achterstallige rekeningen van haar vader. Appellante heeft echter geen stukken overgelegd ter onderbouwing van deze stelling. Bovendien komen de bedragen die haar vader op haar rekening heeft gestort niet overeen met transacties die zij, naar zij stelt, ten behoeve van haar vader heeft gedaan. Verder kan de herkomst van twee kasstortingen van € 1.950,- en € 2.000,- op de bankrekening van appellante niet worden vastgesteld. Weliswaar is aan de hand van bankafschriften te zien dat direct na de kasstortingen telkens € 2.000,- aan T. Kaplan is overgemaakt, maar het blijft onduidelijk waarom deze stortingen via de rekening van appellante hebben plaatsgevonden. De stelling van appellante dat de kasstortingen deels een terugbetaling op een geldlening van haar zoon betrof, en dat zij het geld deels heeft gebruikt om boodschappen voor haar zoon te doen, heeft zij evenmin onderbouwd.

4.6.

Het college heeft dan ook op juiste gronden geconcludeerd dat de kasstortingen en de stortingen van de vader van appellante als inkomen moeten worden aangemerkt. Appellante heeft de inlichtingenverplichting geschonden door deze stortingen niet te melden bij het college waardoor zij ten onrechte teveel bijstand heeft ontvangen. Het bezwaar tegen de herziening van de bijstand dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd.

5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 juni 2013 voor zover niet is beslist op het bezwaar tegen het

besluit van 3 april 2013 betreffende de herziening van de bijstand;

- verklaart het bezwaar tegen het besluit van 3 april 2014 in zoverre ongegrond en bepaalt dat

deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van

3 juni 2013;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 122,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

7 juli 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD