Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2255

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
14-6802 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Verstoorde verhoudingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/6802 AW, 14/6586 AW

Datum uitspraak: 9 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

30 oktober 2014, 14/1251 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Betrokkene] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Den Helder (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. L. van Dijk hoger beroep ingesteld. Namens het college heeft mr. M. Burghout hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2012. Betrokkene is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Burghout.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak en naar de uitspraak van de Raad van 19 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:484. De Raad volstaat met het volgende.

1.1.

Betrokkene was gedurende 24 uur per week werkzaam bij de gemeente Den Helder als [naam functie].

1.2.

Na een voornemen daartoe, waarop betrokkene haar zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft het college bij besluit van 20 november 2013, per 10 augustus 2011, subsidiair per

25 november 2013, ontslag verleend op grond van artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Den Helder (Arbeidsvoorwaardenregeling). Het college heeft het besluit van 20 november 2013, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 15 mei 2014 (bestreden besluit). Aan deze besluitvorming is ten grondslag gelegd dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding tussen het college en betrokkene, waardoor voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het college kan worden gevergd. Het college heeft afgezien van het treffen van een regeling als bedoeld in

artikel 10d:4, derde lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling, vanwege het aandeel van betrokkene in de verstoorde arbeidsrelatie. Vanaf 2007 is betrokkene met opeenvolgende leidinggevenden en met een aantal collega’s in conflict gekomen en heeft zij een aantal niet onderbouwde beschuldigingen geuit aan diverse personen. Het college heeft verschillende pogingen in het werk gesteld om de werkverhoudingen te verbeteren en om betrokkene te overtuigen van de noodzaak haar werkzaamheden te hervatten dan wel op zijn minst in te gaan op de uitnodigingen en dienstopdrachten om met haar leidinggevende te spreken. Geen van deze pogingen hebben geleid tot resultaat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de weigering om voor betrokkene een aanvullende en nawettelijke uitkering te treffen is gehandhaafd. De rechtbank heeft het primaire besluit in zoverre herroepen en bepaald dat aan betrokkene een boven- en nawettelijke uitkering toekomt zoals omschreven in de uitspraak en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit, voor zover dat is vernietigd. Aan dit oordeel ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. De rechtbank acht niet aan twijfel onderhevig dat een impasse is ontstaan, die in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en dat voorzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het college kan worden gevergd. Het aandeel van beide partijen in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen rechtvaardigt de toekenning van een boven- en nawettelijke uitkering. Omdat beide partijen een evenredig aandeel hebben in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen bestaat geen grond voor het toekennen van een extra ontslagvergoeding.

3.1.

Betrokkene heeft, kort samengevat, aangevoerd dat de arbeidsverhouding met haar werkgever op 10 augustus 2011 noch op 20 november 2013 onherstelbaar was verstoord. Zij heeft met haar collega’s goed samengewerkt. Haar leidinggevenden hebben haar weggepest en geïntimideerd, waardoor zij steeds meer gebukt ging onder spanningsklachten. Hierdoor kon zij zich niet anders opstellen dan zij heeft gedaan. In eerdere procedures is ze in het gelijk gesteld; zo heeft de Raad onlangs geoordeeld dat aan haar ten onrechte voorwaardelijk strafontslag is verleend. Als de Raad de rechtbank volgt in het oordeel dat het college haar mocht ontslaan, heeft zij niet alleen recht op een passende regeling zoals door de rechtbank vastgesteld, maar ook op een ontslagvergoeding in de vorm van een plus. De ontstane situatie is volledig de schuld van de werkgever.

3.2.

Het college heeft, kort samengevat, aangevoerd dat het ontslag volledig aan betrokkene is te wijten. Hij heeft daarom op goede gronden geen nawettelijke uitkering aan betrokkene toegekend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan de door het college gehanteerde ontslaggrond worden toegepast als voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd, omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) en/of als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking (uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198).

4.2.

Het betoog van betrokkene dat de arbeidsverhouding niet onherstelbaar was verstoord slaagt niet. De bedrijfsarts heeft op 9 december 2010 geconcludeerd dat sprake is van een arbeidsconflict. Naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts zijn betrokkene en haar teamleider A in december 2010 een mediationtraject gestart. Dit mediationtraject heeft niet geleid tot verbetering van de arbeidsverhouding. Verder heeft de Raad bij zijn uitspraak van 19 februari 2015, ECLI:NLCRVB:2015:484, geoordeeld dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan ongeoorloofd verzuim in de periode van 31 januari 2011 tot 10 februari 2011. Ook is bij deze uitspraak komen vast te staan dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Zij is namelijk, toen zij na haar ongeoorloofde verzuim weer op het werk verscheen, diverse malen uitgenodigd en vervolgens gesommeerd om in gesprek te gaan met haar teamleider. Betrokkene heeft daaraan geen gehoor gegeven. Verder heeft de Raad bij de eerdergenoemde uitspraak geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat betrokkene zich op 21 april 2011 bruuskerend over haar afdelingsmanager M en teamleider A heeft uitgelaten. De onderlinge verhoudingen heeft betrokkene daardoor onnodig nog meer op scherp gezet. Betrokkene heeft zich in een gesprek op 23 mei 2011 opnieuw negatief uitgelaten over M en A. Zij heeft daarna haar werkzaamheden niet meer verricht. Al met al was op 10 augustus 2011 ontegenzeggelijk sprake van een fors arbeidsconflict.

4.3.

Ook nadat betrokkene bij brief van 6 juni 2011 was opgedragen haar werk te hervatten is zij niet tot die hervatting overgegaan. Zij heeft gemeld dat zij wel wil hervatten, maar onder een tijdelijk andere leiding. De Raad heeft bij de onder 4.2 genoemde uitspraak geoordeeld dat betrokkene, door geen gehoor te geven aan de dienstopdracht van 6 juni 2011, maar te melden dat zij wel wil hervatten onder een tijdelijk andere leiding, niet in is gebreke gebleven. Om die reden was het college niet bevoegd om betrokkene disciplinair te straffen. De Raad oordeelde dat het college zich onvoldoende rekenschap gaf van de situatie van betrokkene en de beperkingen die zij ondervond. Een en ander doet niet af aan de onder 4.2 weergegeven conclusie dat een fors arbeidsconflict was ontstaan. Dat het college betrokkene haar werkzaamheden wilde laten hervatten onder dezelfde leidinggevenden, terwijl het arbeidsconflict met die leidinggevenden nog niet was opgelost, bevestigt alleen maar dat de verstoring van de arbeidsverhouding onherstelbaar was geworden.

4.4.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 volgt dat het college betrokkene per

10 augustus 2011 mocht ontslaan op grond van artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling. De arbeidsverhouding was op dat moment zodanig verstoord dat voortzetting van het dienstverband onmogelijk was geworden.

4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:216) geldt, na de wijziging van hoofdstuk 10d van de CAR/UWO per 1 juli 2008, bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO als uitgangspunt dat, naast (de garantie op) een werkloosheidsuitkering, een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 10d:10 van de CAR/UWO moet worden toegekend. Hiernaast dient een

nawettelijke uitkering te worden toegekend als het ontslag gelegen is in de werksfeer en niet grotendeels is te wijten aan de betrokken ambtenaar. De van toepassing zijnde bepalingen van de Arbeidsvoorwaardenregeling wijken niet af van de gelijk genummerde bepalingen in de CAR/UWO.

4.6.

Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 28 februari 2013 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043) overweegt de Raad verder dat aanleiding kan bestaan om bovenop de werkloosheidsuitkering, de aanvullende uitkering en de nawettelijke uitkering een compensatie toe te kennen met inachtneming van de in die uitspraken neergelegde formule. Daartoe moet komen vast te staan dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, of als een uitkering op dat niveau gezien de omstandigheden van het geval niet redelijk kan worden geacht.

4.7.

Met de rechtbank en onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 wordt geconcludeerd dat niet kan worden gezegd dat het ontslag grotendeels is te wijten aan betrokkene. Het betoog van het college dat zij betrokkene een nawettelijke uitkering mocht onthouden wordt dan ook niet gevolgd.

4.8.

Voor de door betrokkene bepleite compensatie in de vorm van de zogenoemde plus bestaat evenmin aanleiding. Ter onderbouwing van dit oordeel wordt verwezen naar het overwogene onder, met name, 4.2. Daaruit volgt dat het college geen overwegend aandeel heeft gehad in de onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding.

4.9.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de hoger beroepen niet slagen en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Het voorgaande geeft aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 490,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van het college een griffierecht wordt geheven van € 493,-;

- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 490,- .

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en B.J. van de Griend en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2015.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) B. Rikhof

HD