Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2254

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
13-6585 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen grond voor het oordeel dat de korpschef bij het nadere besluit de werkzaamheden die appellant in de referteperiode feitelijk heeft opgedragen niet juist heeft vastgesteld of dat de op basis van die feitelijk opgedragen werkzaamheden opgemaakte persoonsgebonden functietypering niet juist is. Dat betekent dat de in de tussenuitspraak gesignaleerde gebreken in het bestreden besluit zijn hersteld.

Wat is overwogen in de tussenuitspraak, bezien in samenhang met wat in deze uitspraak is overwogen, leidt tot de volgende uitkomst. Uit de tussenuitspraak volgt dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Uit wat in 4.6 is overwogen volgt dat het beroep tegen het nadere besluit ongegrond moet worden verklaard. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6585 AW, 15/1855 AW

Datum uitspraak: 9 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1 november 2013, 12/5650 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 13 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3728, een tussenuitspraak gedaan.

Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft de korpschef op 21 januari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh een zienswijze ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh en J.A.A. Bulters. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Burghout en A.M.J. Bertelink.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 13 november 2014 voor een uitvoeriger uiteenzetting van de feiten. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2.

Appellant is aangesteld in de functie van Generalist bij de Dienst [naam dienst]. Vanaf 1 september 2008 zijn hem tijdelijk de werkzaamheden als tactisch rechercheur bij het bureau [naam bureau] opgedragen. Dat was ook nog het geval in de periode van 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 (referteperiode).

1.3.

Nadat de korpschef appellant kenbaar had gemaakt dat hij in het kader van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie het voornemen had om de functie van Generalist als uitgangspositie voor de toekomstige functie van appellant aan te merken, heeft appellant verzocht om functieonderhoud op grond van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie.

1.4.

Bij besluit van 8 december 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 december 2012 (bestreden besluit), heeft de korpschef de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat geen functieonderhoud kan worden gevraagd voor werkzaamheden die worden verricht in het kader van een tijdelijke tewerkstelling. Voorts kan alleen functieonderhoud worden gevraagd voor de eigen organieke functie.

1.5.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

1.6.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

2. In de tussenuitspraak heeft de Raad onder meer overwogen dat de korpschef er ten onrechte van uit is gegaan dat slechts functieonderhoud kan worden toegepast op een organieke functie en voorts dat appellant niet kan worden tegengeworpen dat de opgedragen werkzaamheden tijdelijk zijn. De Raad heeft de korpschef opgedragen om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. In dat verband dient de korpschef de feitelijk opgedragen werkzaamheden van appellant in de referteperiode in kaart te brengen en te bekijken welke organieke functie daarop van toepassing kan zijn, of een mens- of persoonsgebonden functie te beschrijven.

3.1.

De korpschef heeft vervolgens een concept-taakinventarisatie opgesteld en appellant in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarop kenbaar te maken. Appellant heeft bij brief van

8 januari 2015 van die gelegenheid gebruik gemaakt, diverse aanvullingen in de taakinventarisatie voorgesteld en de korpschef verzocht de organieke functie ‘Senior thematische recherche’ op hem van toepassing te verklaren.

3.2.

Bij het nadere besluit heeft de korpschef de feitelijk aan appellant in de referteperiode opgedragen werkzaamheden vastgesteld. Naar aanleiding van de zienswijze van appellant is de taakinventarisatie op enkele punten aangepast. Op de punten waarop appellant niet in zijn zienswijze is gevolgd, heeft de korpschef in het nadere besluit gemotiveerd waarom hij appellant niet heeft gevolgd. Omdat de werkzaamheden van appellant volgens de korpschef onvoldoende herkenbaar zijn in de binnen het korps bestaande functietyperingen, waaronder die van ‘Generalist tactische recherche’ en ‘Senior tactische recherche’, heeft hij ten behoeve van de werkzaamheden die appellant in de referteperiode heeft verricht een specifieke, persoonsgebonden functietypering opgesteld.

3.3.

Appellant heeft onder verwijzing naar de brief van 8 januari 2015 aangevoerd dat de korpschef op tal van punten de door hem aangereikte formuleringen heeft ‘afgezwakt’ zonder dat dit een grondslag vindt in de concrete feiten en omstandigheden. Met name heeft hij naar voren gebracht dat in de taakinventarisatie moet worden opgenomen dat hij complexe aangiften opneemt, dat hij informatie verzamelt, registreert en analyseert in complexe onderzoeken en dat hij is belast met zaakscoördinatie. Appellant heeft verder aangevoerd dat de korpschef ten onrechte en zonder toereikende motivering geen gevolg heeft gegeven aan zijn verzoek de organieke functie ‘Senior thematische recherche’ op hem van toepassing te verklaren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.

Nu met het nadere besluit niet geheel aan het bezwaar van appellant is tegemoetgekomen, strekt het geding in hoger beroep zich, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede uit tot dit besluit.

4.2.

Appellant heeft zijn standpunt dat hij complexe aangiften opneemt onvoldoende onderbouwd. Appellant verricht onderzoek naar de schuldvraag en gevaarlijk gedrag bij ernstige ongevallen. Hij heeft ter zitting verklaard dat bij ongevallen waarbij een dodelijk slachtoffer is gevallen de nabestaanden vaak heel emotioneel zijn en aangifte van moord of doodslag wensen te doen, dat hij de nabestaanden hoort en indien zij hun voornemen tot aangifte wensen door te zetten proces-verbaal opmaakt. Dat het opnemen van een aangifte in dergelijke moeilijke situaties hoge eisen stelt aan de sociale vaardigheden van appellant staat buiten kijf, maar daarmee is nog niet gezegd dat die aangiften op zich zelf beschouwd complex zijn.

4.3.

Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij complexe onderzoeken verricht. Volgens de korpschef wordt bij het vastleggen van activiteiten in een taakinventarisatie ten behoeve van een functiebeschrijving onder een complex onderzoek verstaan een onderzoek dat bestaat uit meerdere (tactische) onderzoekslijnen waarop naast elkaar onderzoek wordt gedaan en deze onderzoeken elkaar kunnen beïnvloeden. Er is geen aanleiding om deze begripsomschrijving voor onjuist te houden. Het onderzoek dat appellant verricht richt zich binnen de context van de verkeerswetgeving op onderzoek naar de toedracht van ernstige verkeersongevallen en de beantwoording van de vraag wie daaraan schuld heeft. Om de toedracht van het ongeval te achterhalen kunnen meerdere opsporingsinstrumenten worden ingezet en het onderzoek kan bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld door de omvang van de aanrijding of het uiteenlopen van verklaringen van verdachten, slachtoffers en getuigen. Maar daarmee is niet gegeven dat het gaat om een complex onderzoek in de hiervoor bedoelde zin.

4.4.

Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij is belast met zaakscoördinatie. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat vanuit een functiekundige optiek onder zaakscoördinatie wordt verstaan het aansturen en het coördineren van het werk van anderen met inbegrip van het kunnen beslissen over het werk van anderen. De korpschef heeft ter zitting nader toegelicht dat het daarbij gaat om het verdelen van werkzaamheden over een groep medewerkers; planning, organisatie en prioritering van de inzet van medewerkers; aansturen van activiteiten van een groep medewerkers en het bewaken van de kwaliteit van werkzaamheden en waar nodig bijsturen. Er is geen aanleiding om deze begripsomschrijving voor onjuist te houden; vergelijk de uitspraak van de Raad van 12 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1958. Appellant heeft gesteld dat in dit verband van belang is dat hij ervoor zorgdraagt dat technisch en tactisch onderzoek op elkaar aansluiten, dat hij zorgt voor de benodigde inzet van deskundigen en daarop toeziet en dat hij het volledige ‘verkeersdossier’ levert en daarvoor verantwoordelijk is. Deze werkzaamheden kunnen echter niet worden aangemerkt als zaakscoördinatie in de hiervoor bedoelde zin. Appellant maakt gebruik van de kennis en de expertise van anderen (specialisten) en hij bewerkstelligt dat deze kennis en expertise ten behoeve van specifieke aspecten van het eigen onderzoek wordt ingezet. Die specialisten zijn en blijven echter zelf verantwoordelijk voor de uitvoering en aanpak van het eigen werk en zij worden daarbij niet door appellant aangestuurd.

4.5.

De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de korpschef de organieke functie ‘Senior thematische recherche’ op hem van toepassing had moeten verklaren. Het staat de korpschef in beginsel vrij een functie te beschrijven op basis van feitelijk uitgevoerde of feitelijk opgedragen werkzaamheden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de korpschef in zijn geval van die vrijheid geen gebruik had mogen maken. De omstandigheid dat de feitelijk uitgevoerde of feitelijk opgedragen werkzaamheden ook onder een reeds bestaande organieke functiebeschrijving kunnen worden gebracht is daarvoor onvoldoende. De Raad merkt in dit verband overigens op dat de korpschef ter zitting de stelling van appellant dat zijn werkzaamheden onder functie ‘Senior thematische recherche’ kunnen worden gebracht op overtuigende wijze heeft bestreden.

4.6.

De slotsom is dat in er geen grond is voor het oordeel dat de korpschef bij het nadere besluit de werkzaamheden die appellant in de referteperiode feitelijk heeft opgedragen niet juist heeft vastgesteld of dat de op basis van die feitelijk opgedragen werkzaamheden opgemaakte persoonsgebonden functietypering niet juist is. Dat betekent dat de in de tussenuitspraak gesignaleerde gebreken in het bestreden besluit zijn hersteld.

4.7.

Wat is overwogen in de tussenuitspraak, bezien in samenhang met wat in deze uitspraak is overwogen, leidt tot de volgende uitkomst. Uit de tussenuitspraak volgt dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Uit wat in 4.6 is overwogen volgt dat het beroep tegen het nadere besluit ongegrond moet worden verklaard.

5. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.960,- voor in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 december 2012 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 januari 2015 ongegrond;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 395,- vergoedt;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2015.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) S.W. Munneke

HD