Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
13-5837 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eerst in beroep heeft appellante de vereiste documenten waarmee haar geboortedatum kon worden vastgesteld overgelegd. Dit heeft er toe geleid dat het Uwv zich bereid heeft getoond om alsnog een (nieuwe) aanvraag in behandeling te nemen. Nu niet kan worden aangenomen dat betreffende documenten niet (veel) eerder overgelegd hadden kunnen worden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen grond bestond het Uwv te veroordelen in de door appelante gemaakte proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/454 met annotatie van R. Stijnen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5837 WAJONG

Datum uitspraak: 3 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

20 september 2013, 12/2963 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.A. Klaver hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015. Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.


OVERWEGINGEN

1.1.

Appelante is geboren in Marokko. Op 18 juli 1994 heeft zij zich in Nederland gevestigd. Op 5 september 2012 heeft appellante bij het Uwv een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Op deze aanvraag heeft appellante als geboortedatum 1 juli 1977 opgegeven.

1.2.

Bij besluit van 14 september 2012 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering en haar daarom geen uitkering wordt toegekend.

1.3.

Bij besluit op bezwaar van 21 november 2012 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 september 2012 ongegrond verklaard, omdat uitgaande van de geboortedatum van 1 juli 1977 appellante op haar 17e verjaardag geen ingezetene was. Aan het besluit is ten grondslag gelegd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet op 1 juli 1977 maar in het najaar van 1977 is geboren. Daarbij heeft het Uwv van belang geacht dat appellante op het aanvraagformulier heeft ingevuld dat zij op 1 juli 1977 geboren is en eerst in bezwaar heeft aangevoerd dat haar moeder stelt dat zij in het najaar van 1977 is geboren. Ook heeft hij in aanmerking genomen dat in het paspoort van appellante staat dat zij in 1977 is geboren en hetzelfde geldt voor het uittreksel van de basisadministratie.
1.4. In beroep heeft appellante ter onderbouwing van haar stelling dat zij in het najaar van 1977 is geboren een uittreksel uit het geboorteregister alsmede een kopie van een pagina van het bevolkingsregister van de Commune Béni-Mellal te Marokko overgelegd, waar als geboortedatum 11 december 1977 is opgenomen. Voorts heeft appellante, op verzoek van het Uwv, een uittreksel uit de basisadministratie van de gemeente Hoorn overgelegd waaruit blijkt dat de geboortedatum van appellante inmiddels is vastgesteld op 11 december 1977. In reactie op deze gegevens heeft het Uwv op 9 juli 2013 aan de rechtbank meegedeeld dat hij de aanvraag van appellante verder in behandeling neemt en na medisch en arbeidskundig onderzoek een besluit op de aanvraag zal nemen.

1.5.

In reactie hierop heeft appellante bij brief van 12 juli 2013 het beroep ingetrokken en verzocht het Uwv te veroordelen in de kosten van beroepsmatig verleende bijstand in bezwaar en beroep. Het Uwv heeft bij brief van 23 juli 2013 op dit verzoek gereageerd en verzocht bij de beoordeling van het verzoek om vergoeding van proceskosten rekening te houden met het feit dat appellante op haar aanvraag als geboortedatum 1 juli 1977 heeft vermeld en eerst in de beroepsfase documenten heeft aangeleverd waaruit een andere geboortedatum is gebleken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van tegemoetkoming als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien het Uwv het besluit van 9 juli 2013 heeft genomen op andere gronden dan appellante heeft aangevoerd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat pas na het indienen van nadere informatie door appellante tijdens de beroepsprocedure het Uwv kennis heeft kunnen nemen van het feit dat de geboortedatum van appellante 11 december 1977 is. Het Uwv heeft daardoor met het nemen van zijn beslissing op de aanvraag en de beslissing op bezwaar geen rekening kunnen houden met deze informatie.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om proceskostenvergoeding heeft afgewezen. Appellante heeft gesteld dat de geboortedatum van 1 juli 1977 een fictieve dan wel administratieve datum was en geen recht doet aan de feitelijke geboortedatum, zij zulks in bezwaar ook heeft aangevoerd en te kennen heeft gegeven dat zij in het najaar van 1977 is geboren maar het Uwv hier geen geloof aan heeft gehecht. Daarom heeft zij beroep in moeten stellen, waarbij zij dezelfde stelling heeft gehandhaafd en zij deze inmiddels kon bewijzen met een uittreksel uit het geboorteland Marokko.

3.2.

In verweer heeft het Uwv aangevoerd dat appellante bij haar aanvraag om uitkering zonder voorbehoud heeft gesteld dat haar geboortedatum 1 juli 1977 is. Eerst nadat de materiële gevolgen daarvan voor haar duidelijk werden is zij op deze verklaring teruggekomen. De enkele mededeling dat zij in het najaar van 1977 is geboren is echter onvoldoende om dit aan te nemen. De in beroep overgelegde nieuwe gegevens hebben er toe geleid dat het Uwv haar standpunt heeft moeten verlaten. Van een herroeping van het primaire besluit wegens aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid is volgens het Uwv geen sprake.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij het nemen van het besluit van 14 september 2012 is het Uwv uitgegaan van de door appellante op het aanvraagformulier opgegeven geboortedatum van 1 juli 1977, nu deze datum eveneens overeen kwam met de gegevens zoals deze bij het Uwv bekend waren vanuit Suwinet. In het licht van deze gegevens mocht het Uwv bij het nemen van het besluit van

14 september 2012 ook van die datum uitgaan.

4.2.

Eerst in bezwaar is gesteld dat appelante geboren is in het najaar van 1977. Deze stelling werd echter niet met bewijs onderbouwd. Uit het bewijs dat werd bijgebracht bleek slechts dat appellante in 1977 was geboren. Omdat uitgaande van de geboortedatum van 1 juli 1977 appellante op haar 17e verjaardag geen ingezetene was, heeft het Uwv het besluit van het besluit van 14 september 2012 gehandhaafd bij het bestreden besluit.

4.3.

Het is aan appellante om op het aanvraagformulier de juiste geboortedatum te vermelden en - indien nodig - de benodigde gegevens over te leggen om vast te kunnen stellen dat de gestelde geboortedatum correct is. De in bezwaar door appellante ingenomen stelling dat zij in het najaar van 1977 is geboren, berustte slechts op een verklaring van haarzelf dat haar moeder zulks gesteld heeft en werd op geen enkele wijze ondersteund door authentieke stukken die vóór de migratie van appellante naar Nederland zijn opgemaakt door de bevoegde instanties in Marokko. Zonder dergelijke controleerbare gegevens heeft het Uwv appellante terecht niet in haar stelling gevolgd en heeft zij terecht het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

4.4.

Eerst in beroep heeft appellante de vereiste documenten waarmee haar geboortedatum kon worden vastgesteld overgelegd. Dit heeft er toe geleid dat het Uwv zich bereid heeft getoond om alsnog een (nieuwe) aanvraag in behandeling te nemen. Nu niet kan worden aangenomen dat betreffende documenten niet (veel) eerder overgelegd hadden kunnen worden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen grond bestond het Uwv te veroordelen in de door appelante gemaakte proceskosten.

4.5.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2015.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) I. Mehagnoul

AP