Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:2237

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
12-5490 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. De door de Raad benoemde deskundige wordt gevolgd. De beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid in de in beroep gewijzigde FML van 12 januari 2012 zijn onjuist vastgesteld. Appellante was per 12 april 2006 niet in staat de haar voorgehouden functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5490 WIA

Datum uitspraak: 8 juli 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

21 september 2012, 11/1952 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer. Het Uwv heeft zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft vragen gesteld aan prof. dr. J.J. van Os, psychiater. Bij brief van

10 november 2014 heeft professor Van Os de vraagstelling beantwoord.

Partijen hebben over en weer nadere reacties ingezonden en toestemming gegeven nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een weergave van de feiten en omstandigheden die vooraf zijn gegaan aan deze procedure verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.2.

In dit geding staat centraal de beslissing op bezwaar van 1 november 2011 (bestreden besluit), waarbij het Uwv heeft gehandhaafd het besluit van 28 april 2011. In laatstgenoemd besluit is vastgesteld dat voor appellante vanaf 12 april 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante op 12 april 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Tevens is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daarnaast heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante en bepaald dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht vergoedt.

2.2.

De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op grond van de overweging dat het bestreden besluit pas tijdens de beroepsprocedure is voorzien van een deugdelijke medische onderbouwing. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de beoordeling heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting van de geduide functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat appellante bij besluit van 28 augustus 2011 niet in aanmerking is gebracht voor een WSW-indicatie omdat zij niet behoort tot de doelgroep, niet afdoet aan de juistheid van het besluit van het Uwv dat appellante per 12 april 2006 geen recht heeft op een uitkering krachtens de Wet WIA.

De ziekmelding van appellante in januari 2011 terwijl zij van het Uwv een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, dient naar het oordeel van de rechtbank buiten beschouwing te blijven. De rechtbank heeft slechts kunnen vaststellen dat na de datum in geding het aantal klachten van appellante kennelijk is toegenomen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat haar beperkingen op psychisch gebied aanzienlijk zijn onderschat. Ook is er sprake van comorbiditeit met de lichamelijke klachten: de psychische klachten beïnvloeden en versterken de darmaandoening en de astma. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij niet tot arbeid in het vrije bedrijfsleven in staat is, heeft appellante een rapport, gedateerd 20 maart 2013, van prof. dr. J.J. van Os overgelegd, dat op verzoek van de rechtbank is uitgebracht in de hierboven genoemde procedure betreffende de weigering appellante in augustus 2011 in aanmerking te brengen voor een WSW-indicatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep is beperkt tot het antwoord op de vraag of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten.

4.2.

De deskundige heeft in zijn rapport van 20 maart 2013 op basis van zijn onderzoek geconcludeerd dat er bij appellante op psychisch gebied sprake is van een gegeneraliseerde angststoornis, een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven. Als gevolg van deze stoornissen is appellante zodanig beperkt dat zij niet in staat wordt geacht om zich in een situatie van beschermde dan wel reguliere arbeid te begeven. De deskundige acht een zekere mate van verbetering mogelijk, maar betwijfelt of de verbetering zodanig zal zijn dat reguliere dan wel beschermde arbeid op een termijn van twee jaar mogelijk zal zijn. Het verdient aanbeveling om na het beëindigen van de juridische procedure met het Uwv, en na enkele jaren van therapie, een nieuw onderzoek te doen om de mate van verbetering formeel vast te leggen in relatie tot beschermde dan wel reguliere arbeid.

4.3.

In zijn brief van 10 november 2014 aan de Raad heeft de deskundige gesteld dat de conclusies uit het rapport van 20 maart 2013 niet alleen zien op de situatie in 2011, die in de procedure over de WSW-indicatie centraal stond, maar ook betrekking hebben op de gezondheidssituatie van appellante op 12 april 2006. De klachten vinden hun oorsprong in traumagerelateerde permanente dysfunctie van systemen van stressregulatie, emotieregulatie en sociale cognitie. De ontwikkeling van appellante is ernstig ontwricht geweest, met als gevolg een vicieuze cirkel van blijvende klachten en beperkingen die ook op 12 april 2006 aanwezig was.

4.4.

In reactie op de brief van de deskundige van 10 november 2014 heeft het Uwv enerzijds betoogd dat deze brief geen onderbouwing biedt voor het standpunt dat het rapport van

20 maart 2013 ook zou zien op de situatie van appellante op 12 april 2006, en anderzijds beoordeeld wat de gevolgen zouden moeten zijn wanneer het oordeel van de deskundige wordt gevolgd. Op basis van het rapport van een de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

8 december 2014 en een opgestelde hypothetische Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van die datum heeft arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Uit dat onderzoek volgt dat de mate van arbeidsongeschiktheid per datum in geding 80 tot 100% bedraagt. Indien het oordeel van de deskundige moet worden gevolgd is per 12 april 2006 sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA en komt appellante in aanmerking voor een IVA-uitkering, aldus het Uwv in zijn brief van 15 december 2014.

4.5.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport van 20 maart 2013 en de aanvulling daarop met betrekking tot de datum in geding geven in onderlinge samenhang bezien blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. Het in 4.4 genoemde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 december 2014 geeft geen aanleiding het rapport van de deskundige niet te volgen. Derhalve is komen vast te staan dat de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid in de in beroep gewijzigde FML van 12 januari 2012 onjuist zijn vastgesteld en dat appellante per 12 april 2006 niet in staat was de haar voorgehouden functies te vervullen.

4.6.

Op grond van hetgeen in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep en moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden vernietigd. De Raad ziet voorts aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 28 april 2011 te herroepen en te bepalen dat appellante met ingang van 12 april 2006 in aanmerking komt voor een IVA-uitkering op grond van de Wet WIA.

5. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente wordt toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

6. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand. Tevens dienen te worden vergoed de door appellante gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting tot een bedrag van € 48,86.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- herroept het besluit van 28 april 2011;

- bepaalt dat appellante met ingang van 12 april 2006 in aanmerking komt voor een

IVA-uitkering op grond van de Wet WIA;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 28 april 2011;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellante van de wettelijke rente zoals onder

punt 5 van deze uitspraak is vermeld;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 115,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van

in totaal € 1028,86.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en B.M. van Dun en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) R.L. Rijnen

HD